Zweden
Flora

 

Zweden is voor ongeveer de helft bedekt met bossen, voornamelijk dennen, sparren en lariksen. In het zuiden overheerst in de bossen de beuk. De eik komt nog tot Midden-Zweden voor. Verder noordelijk nog de berk en in de noordelijkste streken de dwergberk. De boomgrens daalt van 900 ā 1000 m boven zeeniveau in Dalarna tot ca. 500 m boven zeeniveau aan de grens tussen Zweeds en Noors Lapland.

In de zomer is praktisch het hele land bedekt met bloemen, vooral klaprozen, korenbloemen, margrieten en allerlei soorten veldbloemen. In Zweden komen ongeveer 2000 plantensoorten voor. Op veel plaatsen is het smullen geblazen; bosbessen en frambozen komen veel in het wild voor. Op de eilanden Öland en Gotland treft men bijzondere vegeatatie aan. Dit komt door de kalksteengrond die de zonnewarmte goed vasthoudt. Zo groeien op beschutte plaatsen perzik, moerbij en walnoot. Ook zo'n dertig soorten orchideeën zijn zeer bijzonder.


Het betrekkelijk lage en vlakke zuiden (Skåne, Blekinge en aangrenzende streken) behoort tot het gebied van de Europese loofbossen. De Oostzee-eilanden Öland en Gotland hebben, als gevolg van het droge klimaat en de harde kalkbodem, een steppevegetatie. De flora van Midden- en Noord-Zweden bestaat voor een belangrijk deel uit naaldbossen.  

 
 

<< terug naar leerlingen pagina