|
|
In moerassige, bosrijke gebieden komt de
eland in groten getale voor. In Lapland zwerven grote kudden rendieren
die behoren aan Lappenfamilies. Zeldzame dieren zijn de bruine beer, de
wolf, de lynx en de veelvraat. In Midden- en Zuid-Zweden leeft vrij veel
klein wild als marters, wezels en vossen. In het noorden leven
sneeuwhazen, poolvossen en lemmingen. Zweden kent meer dan 300
vogelsoorten. Aan de zeekust leven allerlei soorten meeuwen, eenden en
sterns. Bij de meren leven kiekendieven, futen en talingen. In de bossen
komen auerhoen, korhoen, spechten en uilen voor. Veel voorkomende
roofvogels zijn arenden, valken, uilen, buizerds en sperwers. In de
naaldwouden leven spechten, goudvinken, raven en bonte kraaien. Zweden
is zeer belangrijk als broedgebied van talrijke vogelsoorten van het
noorden; hiervan is de Europese kraanvogel ongetwijfeld de meest
opvallende. Zweedse rivieren en meren zitten barstensvol met vis. In de
noordelijke wateren veel baars, snoek, zalm en forel. Langs de kusten
tonijn, haring, makreel, kabeljauw en strömming (Oostzeeharing). Verder
komen er drie soorten slangen (waaronder de adder), en drie soorten
hagedissen in Zweden voor.
Een groot aantal nationale parken en reservaten liggen verspreid over
het land; het bekendste is het in Lapland gelegen Abisko Nationale Park.
|
 |