Toelatingscriteria
Leerwegondersteunend onderwijs
Praktijkonderwijs


   
Bij de indicatiestelling staan de volgende drie leerlingkenmerken centraal:
    
  1. het IQ van de leerling;
  2. de leerachterstand(en) van de leerling;

  3. eventuele sociaal-emotionele problematiek van de leerling.

1. Intelligentiequotiënt
 
Het gaat hier om de cognitieve aspecten van de leerling uitgedrukt in IQ. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen verbale en performale (praktische) intelligentie.
Het gemiddelde IQ is 100. Hoe hoger het IQ op basis van een test, des te intelligenter is de leerling. Het IQ zegt iets over de leerweg die een leerling aan kan.
Bij de indicatiestelling worden een aantal bandbreedtes aangehouden, afhankelijk van de vraag of het gaat om aanmelding voor leerwegondersteunend onderwijs of voor het praktijkonderwijs. Voor indicatie leerwegondersteunend onderwijs geldt, voor het IQ een andere bandbreedte indien ook sociaal-emotionele problematiek aan de orde is.

De bandbreedtes voor het IQ zijn:

  • 60 t/m 80 in het geval van indicatie praktijkonderwijs

  • 75 t/m 90 in het geval van indicatie leerwegondersteunend onderwijs

  • 91 t/m 120 in het geval van toelaatbaarheid  tot het leerwegondersteunend onderwijs mede op basis van sociaal-emotionele problematiek.

In alle gevallen moet er tevens sprake zijn van een leerachterstand.
  

  • De bandbreedtes vertonen in het gebied van 75 tot en met 80 een overlap. Daar is bewust voor gekozen omdat in die bandbreedte de grens tussen aangewezen zijn op leerwegondersteunend onderwijs dan wel juist op praktijkonderwijs, niet scherp te trekken valt. Over het algemeen zal de mate van leerachterstand hier de doorslag geven.

  • Het is van belang dat de school zo goed mogelijk motiveert waarom de leerling voor leerwegondersteunend onderwijs of praktijkonderwijs wordt aangemeld. De RVC heeft in deze gevallen demogelijkheid om een beschikking af te geven voor ofwel leerwegondersteunend onderwijs ofwel voor praktijkonderwijs.

  • Als er sprake is van een IQ lager dan 60 komt de leerling in aanmerking voor het speciaal onderwijs (ZMLK). In de bandbreedte van 55 tot en met 59 kan de RVC echter toch een beschikking voor praktijkonderwijs afgeven, als ede gegevens in het leerlingdossier daartoe aanleiding geven. In zo'n geval is altijd sprake van voorafgaand overleg met de school en de ouders.

2. Leerachterstand
 

Het gaat hier om de leerprestaties van de leerling op de volgende vier domeinen:
  • technisch lezen
  • begrijpend lezen
  • spellen
  • inzichtelijk rekenen.
De leerling moet voor een positieve indicatie een bepaalde achterstand hebben op tenminste twee van de vier domeinen. Minimaal één van deze twee domeinen moet inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreffen.

De mate van leerachterstand die vereist is, verschilt natuurlijk al naar gelang het om leerwegondersteunend of praktijkonderwijs gaat.
Om een aantal meettechnische redenen wordt uitgegaan van de relatieve leerachterstand. Op die manier kan namelijk rekening worden gehouden met het feit of iemand is blijven zitten en met het moment waarop een leerling wordt getoetst. Doet men dat niet, dan maken leerlingen die vroeg in groep 8 getoetst worden ten onrechte een grotere kans om geïndiceerd te worden voor leerwegondersteunend onderwijs of praktijkonderwijs terwijl zij daar eigenlijk niet voor in aanmerking komen.

Hoe wordt zo'n relatieve leerachterstand nu berekend? Dat gebeurt door uit te gaan van de verhouding tussen de zogeheten didactische leeftijd van de leerling en het niveau dat de leerling blijkens de test of toets heeft, uitgedrukt in zogeheten DLE's, didactische leeftijdsequivalenten. 
De didactische leeftijd wordt bepaald;

  • het aantal maanden dat de leerling onderwijs heeft gevolgd, te tellen. Daarbij wordt begonnen vanaf groep 3 en telt een volledig schooljaar als 10 maanden

  • rekening te houden met zittenblijven (een zittenblijver heeft dus een didactische leeftijd van 10 maanden méér dan een klasgenoot die niet is blijven zitten)

  • maximaal een didactische leeftijd van 60 toe te kennen.

  
3. Sociaal-emotionele problematiek
 
De term sociaal-emotionele problematiek kan veel betreffen. In het kader van de indicatiestelling gaat het enkel om sociaal-emotionele problematiek die de leerling substantieel belemmert in zijn of haar deelname aan het leerproces. Het gaat daarbij om:
  • faalangst
  • prestatie-motivatie
  • ‘emotionele instabiliteit'

De beoordeling of daarvan sprake is, en zeker het vaststellen van de mate waarin, is niet eenvoudig. Iedereen heeft wel eens sociaal-emotionele problemen, zonder dat meteen veel extra zorg nodig is. Of er in substantiële zin sprake is van sociaal-emotionele problematiek wordt vastgesteld door middel van persoonlijkheidsonderzoek; uitgevoerd door een deskundige aan de hand van gangbare en als betrouwbaar beoordeelde screenings- cq diagnostische instrumenten.

  

Indicatiecriteria Praktijkonderwijs
  
De RVC geeft een positieve beschikking voor praktijkonderwijs indien de leerling:

  • een IQ heeft binnen de bandbreedte 60 tot en met 80 en
  • een relatieve leerachterstand (LA) heeft van 0,5 of meer en op twee van de vier domeinen waarbij minimaal één van de twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft.

  
Indicatiecriteria Leerwegondersteunend onderwijs
   
De RVC geeft een positieve beschikking voor leerwegondersteunend onderwijs indien de leerling:
  • een IQ heeft binnen de bandbreedte 75 tot en met 90 en een relatieve leerachterstand (LA) heeft van van 0,25 tot 0,5 op twee van de  vier domeinen waarbij minimaal één van de twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft.
dan wel indien de leerling:
  • een IQ heeft binnen de bandbreedte 91 tot en met 120 en een relatieve leerachterstand (LA) heeft van van 0,25 tot 0,5 op twee van de  vier domeinen waarbij minimaal één van de twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en

  • een sociaal-emotionele problematiek heeft.

Informatie van:

Ministerie van OCW

Ortho Pedagogisch Didactisch Centrum  Zuidoost Drenthe  2009   |   Disclaimer