MCDD


Wat is MCDD
MCDD is de afkorting van de Engelse term Multi Complex Developmental Disorder. In het Nederlands: Meervoudige complexe ontwikkelingsstoornissen. Deze stoornis wordt beschouwd als een variant van bepaalde autistische stoornissen. Hoewel MCDD wordt beschouwd als een variant van het autisme of PDD-NOS, staan bij kinderen met MCDD niet de contactproblemen op de voorgrond maar de problemen bij het reguleren van emoties en gedachten. Een beetje angst ontaardt bij hen meteen in paniek, een beetje boosheid wordt razernij. Hun veel te sterke fantasie zorgt ervoor dat hun gedachten met hen op de loop kunnen gaan, waardoor fantasie en werkelijkheid niet meer uit elkaar worden gehouden. Soms vertellen ze over “stemmetjes” of  “mannetjes” in hun hoofd die hen reguleren zonder dat ze zich daartegen kunnen verzetten. Het regulatiemechanisme dat emoties en gedachten in evenwicht houdt, werkt bij hen minder goed.


Zicht op sociale verhoudingen
Kinderen met MCDD nemen wel initiatieven tot contact met anderen, maar missen vaak het vermogen sociale verhoudingen goed te doorzien. In de geborgenheid en veiligheid van een 1 op 1 relatie met een volwassene kunnen ze vaak redelijk functioneren. Het gaat mis zo gauw de situatie complexer of minder overzichtelijk wordt. Op het schoolplein, in de winkel, op het verjaardagspartijtje, op familiefeest ontsporen deze kinderen heel snel en reageren dan met angst of woede.


Gevolgen
Een kind met MCDD heeft er extreem veel moeite mee om de wereld als een veilige plaats te ervaren. Alles is erop gericht om de angst te beteugelen. De ontwikkeling op diverse leefgebieden kan hier ernstig onderlijden. Omdat het gedrag van kinderen met MCDD in 1 op 1 relaties niet zo snel ontspoort, worden de problemen van ouders niet altijd even serieus genomen. Het beschermen van hun kind tegen teveel binnenkomende prikkels kan worden opgevat als overbezorgdheid. Daarnaast bestaat het gevaar dat alle energie binnen het gezin erop gericht is om woedebuien van het kind te voorkomen, zodat belangen van andere gezinsleden daaraan teveel ondergeschikt worden.


Kenmerken
De symptomen van MCDD zijn te verdelen in 3 groepen:

  1. stoornissen in de regulatie van affecten ( angst en agressie: angst schiet door in paniek, boosheid in woede)
  • intense angst of gespannenheid
  • vreesachtigheid of fobie (ziekelijke vrees), meestal voor ongebruikelijke situaties of voorwerpen
  • paniekaanvallen of overspoeld worden door primitieve angsten
  • momenten of periodes van gedragsmatige terugval met driftbuien of primitieve woedeaanvallen
  • uitgesproken emotionele en stemmingsschommelingen zonder duidelijke aanwijsbare aanleiding
  • frequente oninvoelbare, bizarre angstreacties
     
  1. stoornissen in de gevoeligheid voor sociale signalen en stoornissen in het sociale gedrag in relatie tot leeftijdgenoten en volwassenen
  • sociale desinteresse, vermijding van sociale contacten of grenzeloze contactname, ondanks aanwezige sociale vaardigheden
  • ontbreken van bestendige relaties met leeftijdgenoten
  • aanklampende haatliefdesrelaties vooral met volwassenen (in het bijzonder ouders/primaire verzorgers
  • diep gebrek aan inlevingsvermogen en het vermogen om zich te verplaatsen in de gedachten en gevoelens van anderen
       
  1. stoornissen van het denken (onnavolgbaar van de hak op de tak springen, bizarre fantasieën, geheel opgaan in fantasieën, moeite hebben met het onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid)
  • onlogische gedachtegang of plotselinge onnavolgbare gedachtesprongen (magisch denken, neologismen, bizarre gedachten)
  • verwarring tussen fantasie en realiteit
  • gemakkelijk verward raken (moeite met het begrijpen van wat er om hen heen gebeurt)
  • overdadige gedachten (grootheidsideeën, verhoogde achterdocht, vergeïnvolveerd raken in fantasiefiguren, imaginaire vrienden)

 
Diagnose
De diagnose MCDD wordt gesteld door een kinder- en jeugdpsychiater aan de hand van gegevens van de ouders, gesprekken met het kind en informatie van andere hulpverleners. MCDD is nog niet officieel opgenomen in de DSM-IV ( een internationaal erkend classificatiesysteem van stoornissen). Wel wordt het al regelmatig door kinder- en jeugdpsychiaters gebruikt als beschrijving van bepaalde psychiatrische problemen bij kinderen. Naar verwachting wordt MCDD in 2011 opgenomen in de vijfde, herziene versie van de DSM.


Aanpak
Er is helaas geen therapie die de stoornis opheft. Wel kan een speciale opvoeding met veel consequente en wijze leiding de problemen meestal binnen de perken houden. Dit vraagt echter een constante aandacht van de omgeving waardoor het opvoeden van deze kinderen een uitputtende bezigheid is. Ouders van kinderen met MCDD moeten altijd proberen hun eigen emoties niet te tonen, vooruit te denken over gebeurtenissen en bedacht te zijn op ongeremde reacties. Zij moeten zichzelf een manier van opvoeden aanleren waarin verduidelijking en begrenzing een tweede natuur wordt. Het regulatiemechanisme dat zorgt voor evenwicht in emoties en gedachten moet bij kinderen met MCDD als het ware van buitenaf worden aangedragen. Medicatie kan soms nodig zijn om de angsten binnen de perken te houden.


Hulp en begeleiding
De opvoeding van kinderen met MCDD kan voor ouders uitputtend zijn. Ouders hebben bij de omgang met de ernstige problemen van hun kind dringend behoefte aan deskundige begeleiding van een kinder- en jeugdpsychiater, vaak in samenwerking met een gezinsbegeleider. Behandeling is gericht op het geven van structuur, het voorkomen en dempen van de angsten en het bevorderen van de gezonde ontwikkeling.


Zelfstandigheid
Bij jongeren met MCDD is de puberteit een spannende fase, omdat met name in die periode het gevaar voor een psychotische ontwikkeling niet denkbeeldig is. In de volwassenheid luwen de heftige emotionele uitschieters bij het merendeel van deze kinderen, maar zij blijven veelal afwijkend in het sociale contact en dikwijls ook in het denken. In veel gevallen zullen zij aangewezen blijven op hulp en begeleiding, in het bijzonder bij wonen en werken.

 

DCD

Inleiding
Jan is een en al bewegingsonrust. Hij holt en kan nog geen minuut stil zitten. Hij valt in de klas regelmatig van zijn stoel en zit soms meer onder dan boven zijn tafel. Anna heeft op de basisschool een vreselijke hekel aan allerlei knip- , prik- en plakwerkjes.
Fijne motorische vaardigheden als knopen dichtdoen en veters strikken zijn voor haar een bron van ellende. Ze heeft problemen bij het gebruiken van mes en vork en moet veel extra moeite doen voor een leesbaar handschrift. Piet zit altijd vol builen en schrammen. Hij heeft problemen bij de coördinatie en controle van bewegingen. Soepel bewegen, praten, uit je woorden komen, jezelf aan- en uitkleden, tandenpoetsen, met mes en vork eten, veters strikken, een bal gooien en vangen, met een pen schrijven etc. Het lijkt allemaal zo gewoon dat kinderen deze vaardigheden leren. Voor sommige kinderen is dat niet zo gewoon. Dat kunnen kinderen zijn met DCD. DCD staat voor Developmental Coordination Disorder. In het Nederlands vertaalt als stoornis in de ontwikkeling van de coördinatie van bewegingen. Dit is een verzamelnaam voor een aantal kenmerken van gestoorde motorische functies, zoals een lage spierspanning, een grote bewegingsonrust, coördinatieproblemen of problemen met fijnemotorische vaardigheden. Deze problemen kunnen apart voorkomen, maar veel vaker treden ze in combinatie op.  DCD lijkt voor te komen bij 5 tot 10% van de schoolgaande kinderen. Vaak zijn het jongens. In diverse onderzoeken worden verhoudingen genoemd van 4 meisjes tot 10 jongens.


Oorzaak en gevolgen
De naam DCD zegt niets over de achterliggende oorzaak. Het zegt meer dat er iets met de motoriek aan de hand is, dan wat er aan de hand is. Motorische onhandigheid wordt meestal wel beschouwd als een uiting van een in aanleg niet optimaal ontwikkeld zenuwstelsel. DCD kan bij kinderen in verschillende situaties problemen geven. Handelingen zoals lopen, klimmen, schrijven of knippen kosten een kind met DCD soms veel moeite. Veel kinderen met DCD werken hierdoor traag of komen niet goed mee op school. Ook vinden ze het vaak moeilijk om met de juiste motoriek te reageren. Bijvoorbeeld om een bal te vangen. Daarnaast zijn er kinderen die zich moeilijk kunnen concentreren en die moeite hebben met het horen, zien en begrijpen van wat er om hen heen gebeurt.


Criteria
DCD, wordt officieel vast gesteld aan de hand van criteria uit DSM (het internationaal handboek met beschrijvingen van psychiatrische stoornissen).

Volgens de DSM is DCD te herkennen aan de volgende kenmerken:

  • De uitvoering van dagelijkse handelingen, welke motorische coördinatie vereisen, is beduidend slechter dan verwacht, gezien de chronologische leeftijd van een kind en het gemeten intelligentieniveau. Dit kan tot uiting komen in het later bereiken van motorische mijlpijlen, zoals lopen, kruipen, zitten), in het laten vallen van voorwerpen, houterigheid, slechte prestatie bij sport of een slecht handschrift.
  • De aandoening is niet het gevolg van een medische conditie en voldoet niet aan de criteria van een Pervasieve Ontwikkelingsstoornis (PDD-NOS).
  • Als er sprake is van mentale retardaties, moeten de motorische problemen ernstiger zijn dan de problemen die normaal gesproken bij mentale retardatie voorkomen.

 
Hoe wordt DCD vastgesteld?
Signalen van afwijkende motoriek zijn op jonge leeftijd niet eenvoudig te constateren. De ontwikkeling van het zenuwstelsel van jonge kinderen met de daarbij behorende zogenaamde motorische mijlpalen kent een grote variatie. Bij de helft van de kinderen bij wie later DCD problemen worden geconstateerd, wordt dat op de peuter- en kleuterleeftijd niet opgemerkt. Aan de andere kant kunnen op jonge leeftijd DCD problemen worden geconstateerd die later vanzelf verdwijnen. Om DCD vast te kunnen stellen is observatie en onderzoek nodig van het kind, door bijvoorbeeld een revalidatie- of kinderarts, kinderfysiotherapeut of neuroloog. Op basis hiervan wordt een voorstel gedaan voor een eventuele behandeling van uw kind. Voor de observatie door een revalidatie, kinderarts of neuroloog is een verwijzing nodig van de huisarts. Voor een observatie of test door de kinderfysiotherapeut is dit niet nodig.


Bij komende stoornissen
Een niet optimaal ontwikkeld zenuwstelsel kan ook gevolgen hebben op andere ontwikkelingsgebieden. Zo hebben kinderen met DCD vaker dan gemiddeld last van spraakstoornissen en problemen bij het zindelijk worden. Daarnaast gaat DCD meer dan gemiddeld gepaard met ADHD, PDD-NOS, het syndroom van Asperger en leerstoornissen en kampen kinderen met DCD meer dan het gemiddelde kind met een laag zelfbeeld.

 

Wat kan er aan DCD gedaan worden?
Hoewel een deel van de kinderen met DCD over de problemen lijkt heen te groeien, kan onderzoek en/of behandeling wel nodig zijn. Enerzijds omdat ernstige stoornissen met een voortschrijdend karakter zoals een spierziekte moeten worden uitgesloten. Anderzijds omdat het belangrijk is nauwkeurig te onderzoeken op welke terreinen de motorische problemen het kind belemmeren in zijn functioneren. Het soort therapie hangt af van het soort motorische problemen. De leeftijd van het kind, zijn verstandelijke vermogens en de aanwezigheid van eventuele bijkomende stoornissen. Behandeling kan bijvoorbeeld bestaan uit extra oefeningen onder leiding van een fysiotherapeut.

 

Agressieve gedragstoornissen
Opstandige gedragstoornissen (ODD)
Antisociale gedragstoornissen (CD)
Jan reageert altijd agressief en tegen de draad in. Een enkele keer laat hij merken er later spijt van te hebben, maar lang duurt dat nooit. Hij is nu 15 jaar. Er zijn al heel wat hulpverleners de revue gepasseerd. Zijn ouders zitten bijna wekelijks op school om voor Jan weer wat krediet te vragen. Ze hebben de politie al meerder keren aan de deur gehad. In sommige levensfasen zoals de koppigheidsperiode of de puberteit is opstandig en agressief gedrag bij kinderen een vrij normaal verschijnsel. We spreken pas van agressieve gedragstoornissen wanneer het gaat om ernstig negatieve gedragingen die vaker en sterker dan gemiddeld voorkomen, niet worden veroorzaakt door de omstandigheden en al langere tijd aanwezig zijn. Agressieve gedragstoornissen worden onderscheiden in oppositioneel opstandige gedragstoornissen (CD; Conduct Disorders). Samen worden deze gedragstoornissen ook wel disruptieve stoornissen genoemd (DBD; Disruptive Behavior Disorder). Kinderen en jongeren met een oppositioneel Opstandige Gedragstoornis (ODD) zijn moeilijk in de opvoeding, ongehoorzaam en in verzet, maar feitelijk gewelddadig gedrag is niet aan de orde. Bij een antisociale gedragstoornis (CD) heeft de persoon een gebrek aan respect voor de rechten en gevoelens van anderen. ODD komt bij 3,2 % en CD bij 2 % van de kinderen voor.


Oorzaak en gevolg
Er wordt uitgegaan van een combinatie van aanleg en omgeving. Er zijn aanwijzingen dat er bij kinderen met ernstige gedragstoornissen sprake is van een afwijkende biologische “outfit”.Zij zouden een langzamer hartslag hebben en een hogere stressdrempel.

De gevolgen
De gevolgen van agressieve gedragstoornissen kunnen zeer ernstig zijn, zowel voor het kind zelf als voor het gezin waarin het opgroeit. In het uiterste geval kan het leiden tot mishandeling van ouders, van broertjes en zusjes, van dieren en van leeftijdsgenootjes. De ervaring leert dat op het thema mishandeling door kinderen en jongeren binnen het gezin een groot taboe rust. Het kost ouders grote moeite om het probleem in ware omvang te onderkennen en te erkennen. Vaak schamen zij zich zo dat ze pas hulp gaan zoeken als de neerwaartse spiraal van steeds verder escalerend gedrag nauwelijks meer om te buigen is. Het gezin kan hierdoor ernstig geïsoleerd raken. Agressieve gedragstoornissen worden vaak in verband gebracht met later optredend crimineel en delinquent gedrag. Uit onderzoek blijkt dat vooral antisociaal gedrag op de kinderleeftijd (onder de 10 jaar) een voorspellende waarde heeft voor later optredend ernstige- met name gewelddadige delinquentie.

Herkenbaarheid

Kinderen en jongeren met ODD en CD hebben dikwijls een tekortschietende emotionele zelfregulatie, zijn snel gefrustreerd en weinig flexibel in het omschakelen naar een andere houding ten opzichte van een situatie. Kenmerken bij ODD (komend uit de DSM, daarin worden alleen de problemen aangegeven).

  • is vaak driftig
  • verzet zich tegen regels, weigert zich te voegen naar wat de volwassene vraagt
  • maakt vaak ruzie met volwassenen
  • ergert anderen met opzet
  • geeft de schuld van eigen fouten aan anderen
  • is vaak prikkelbaar, ergert zich vaak
  • is vaak boos of gepikeerd
  • is hatelijk en wraakzuchtig

Kenmerken bij CD

  • pest, bedreigt, intimideert
  • gebruikt wapens en brengt lichamelijk letsel toe
  • zet aan tot vechten
  • mishandelt mens en dier
  • dwingt tot seksueel contact
  • steelt of liegt en vernielt met de bedoeling ernstige schade aan te richten
  • spijbelt en loopt weg van huis

Gedragstoornissen gaan vaker dan gemiddeld gepaard met leerproblemen, stemmingsproblemen, hyperactiviteit en verslaving.


Het vaststellen van ODD en CD
Ernstig agressief in de kinderleeftijd moet zeer serieus genomen worden. Dit gedrag gaat in veel gevallen niet vanzelf over. Te vaak wordt de hulpverlening pas benaderd als het water al aan de lippen staat.

Hulp bij agressieve gedragstoornissen zal in de meeste gevallen moeten worden gezocht bij kinder- en jeugdpsychiater diagnosticeert en agressieve gedragstoornis aan de hand van gegevens uit gesprekken met ouders en leerkrachten over de voorgeschiedenis van het kind of de jongere en zijn eigen observaties in contacten met het kind of de jongere. Bij kinderen is men zeer voorzichtig met de diagnose antisociale gedragstoornis, omdat agressief gedrag ook bij bepaalde leeftijdsfasen kan horen en een kind nog niet uit ontwikkeld is.

Bijkomende stoornissen
ODD en CD gaan vaker dan gemiddeld samen met andere kinder- en jeugdpsychiatrische stoornissen of ernstige problemen. Vaker dan gemiddeld komen hierbij voor: ADHD, angst en depressieve (stemming) stoornissen, emotionele stoornissen en middelenmisbruik. De behandeling moet op verschillende fronten tegelijkertijd worden ingezet en rekening houden met de beperkingen van zowel jongere als van het gezin. Ouders en leerkrachten moeten geholpen worden manieren te vinden om in de opvoeding en begeleiding weer een positieve toon te vinden. Tijdelijke opvang door derden ontlasten en hen tegelijkertijd de gelegenheid bieden hun taak vol te houden.

Medicatie wordt bij gedragstoornissen toegepast:

  • in acute situaties om gevaar af te wenden
  • voor chronische situaties, om patronen te doorbreken
  • indien er ook sprake is van ADHD
  • wanneer er ook sprake is van een stemming- of angststoornis
 

Ortho Pedagogisch Didactisch Centrum  Zuidoost Drenthe  2010   |   Disclaimer