Wat is faalangst?
  Kenmerken
  Begeleiden
  Middelen voor vermindering
  Theoretische informatie

Faalangst


1. Wat is faalangst?

Tegenvallende resultaten van leerlingen kunnen veel oorzaken hebben. Faalangst is daar een van. In dit hoofdstuk kijk ik naar faalangst als mogelijke oorzaak van tegenvallende prestaties en naar specifieke kenmerken van faalangst.

Er is sprake van faalangst, indien een leerling als gevolg van zenuwen duidelijk anders presteert dan op basis van de capaciteiten van het kind verwacht kan worden. Veel kinderen zijn vlak voor het leveren van prestaties zenuwachtig. Zij kunnen echter tijdens het presteren zichzelf in bedwang houden en presteren dan enigszins volgens de verwachting. Die zenuwen voor het presteren leiden vaak tot concentratieverhoging. Het heeft de functie van jezelf oppeppen.

1.1.  Negatieve faalangst


Wanneer de prestaties steeds als het erop aankomt veel minder zijn dan verwacht, wordt dat negatieve faalangst genoemd. Een kind met negatieve faalangst vult zijn gedachten voor en tijdens het presteren met negatieve zaken. Gedachten als “dit kan ik nooit”of “gisteren ging het ook mis” verdrijven de gedachten over wat het kind wel moet doen. Het gevolg is dan dat de leerling minder alert wordt op zijn huidige taak en dus fouten gaat maken en zijn angst bij de volgende prestaties wordt door de slechte prestaties weer verder vergroot.

1.1.1.  Positieve faalangst

Een kind kan ook beduidend beter presteren dan verwacht wordt. Ook bij deze kinderen is sprake 100 %  negatieve gedachten voor het presteren. Echter tijdens het presteren kunnen zij er een schepje boven op doen. Bij hun negatieve gedachten komt toch nog een zeker percentage positieve gedachten. Positieve gedachten zijn gedachten die betrekking hebben op de huidige taak. Zij concentreren zich tijdens het werken boven hun kunnen.

Een dergelijk combinatie van negatieve gedachten en positieve gedachten leidt tot zeer goede prestaties

Toch is positieve faalangst wel een probleem; voordat de prestaties geleverd worden, zijn gedachten nog 100% negatief. Het kind met positieve faalangst uit op dezelfde manier als een kind met negatieve faalangst zijn onzekerheid. Na het leveren van de prestaties verdwijnen de positieve gedachten weer. Het kind meldt dat het een verschrikkelijk slechte prestatie afgeleverd heeft. Soms is het kind dan erg overstuur. Het cijfer blijkt dan echter onverwacht zeer hoog te zijn.

1.2. Ontstaan van faalangst

Er zijn drie factoren aan te wijzen die bepalend zijn voor het ontstaan van faalangst:

  1. Falen: Om faalangst te kunnen krijgen, moet de leerling wel weten wat falen is. Het kind moet om wat voor reden dan ook (pech, ziekte, slechte dag, moeilijk leerstofonderdeel, slechte instructie) een keer gefaald hebben.
     
  2. Reactie op prestaties. Op zich is falen geen reden tot ontstaan van faalangst. Het gaat om de reactie van de omgeving (ouders, leerkracht en medeleerling) op de behaalde prestaties en in het bijzonder op falen. Lachen om een fout, boos worden omdat het kind een fout maakt of lachen als het kind een beurt krijgt, is niet goed voor het kind. Ook een verkeerde interpretatie van de reden van de slechte prestatie kan de leerling flink uit evenwicht brengen bv. “Je hebt het zeker niet geleerd”, terwijl het kind wel lang geleerd heeft, maar de leerstof niet snapt. Ook aardige bedoelde opmerking als “Jammer van deze onvoldoende, maar ik weet zeker dat je volgende keer weer een goed cijfer haalt”of ik weet zeker dat je kunt”of “Wat ben jij toch verschrikkelijk knap” (als een kind voor het eerst goed scoort) kunnen de druk op het kind sterk vergroten. Er wordt door die opmerking een verwachting naar toekomstige goede prestaties geuit, waarvan het kind nog niet zo zeker is.
     
  3. Gebrek aan zelfvertrouwen: Een kind dat vol zelfvertrouwen is, zal het falen als een incident beschouwen en zal de opmerkingen aan de hand van zijn leerkracht en/of ouders op hun waarde schatten. Door regelmatig te falen en door voor het kind vervelende reacties kan het zelfvertrouwen aangetast worden. Dit gebrek aan zelfvertrouwen wordt op een gegeven moment het leidende principe van faalangst. Een faalangst die indien niets gebeurt steeds groter wordt. Faalangst kan zich beperken tot een vak, of tot een onderdeel van een vak. Door (per ongeluk) te falen bij andere taken of door verkeerde reacties van de omgeving kan de faalangst zich als een olievlek uitbreiden naar alle vakken. Is erop een gegeven moment faalangst ontstaan dan wordt het gebrek aan zelfvertrouwen de belangrijkste oorzaak van falen. Door het  falen krijgt de leerling weer allerlei negatieve reacties van zijn omgeving, die op hun beurt het zelfvertrouwen verder zullen aantasten..Zo ontstaat voor een kind een neerwaartse spiraal van faalangst. Het kind heeft dan hulp van de leerkracht en de ouders nodig om zijn faalangst te overwinnen.

1.3.  Vormen van faalangst

1. Cognitieve faalangst of faalangst voor cognitieve taken.

Cognitieve faalangst heeft te maken met het schoolse leren: het reproduceren van kennis, toepassen van vaardigheden en aantonen van samenhang. Als een leerling bang is ergens aan te beginnen uit angst voor een negatieve beoordeling van deze prestaties, spreken we van cognitieve faalangst. Deze beoordeling kan komen van een leerkracht en van de normen waardoor deze zich laat leiden. Maar ook de leerling zelf, ouders en klasgenoten kunnen hierbij een rol spelen.

2. Sociale faalangst.

Sociale faalangst komt voort uit de angst afgewezen of negatief beoordeeld te worden door groepen die belangrijk voor je zijn, bijvoorbeeld je klasgenoten. Een van die basisbehoeften van mensen in een groep is erbij willen horen. Voor jongeren geldt dat het vervullen van deze behoeften hen help hun identiteit te verwerven. Sociale vaardigheden zijn hierbij belangrijk.

3. Motorische faalangst.

Wanneer leerlingen angstig zijn fouten te maken bij het uitvoeren van fysieke handelingen, is er sprake van motorische faalangst. Deze angst kan optreden bij vakken als gym, tekenen en handvaardigheid.

4. Mengvormen.

Cognitieve, motorische en sociale faalangst kunnen in combinatie met elkaar voorkomen.

Een leerling die onverwacht voor de klas een beurt krijgt, kan geblokkeerd raken door alle ogen die hij op zich gericht weet. Het feit dat de leerling de geleerde woordjes niet kan vertalen, vormt het cognitieve aspect, de rol van het publiek van klasgenoten het sociale aspect.

1.4   Kenmerken van faalangstige leerlingen

Om het te kunnen signaleren wanneer een leerling faalangst heeft is het observeren van het gedrag van de leerling belangrijk.

De onderstaande kenmerken kunnen gebruikt worden om invulling te geven aan de observatie.

ALGEMEEN:

  • De leerling heeft duidelijkheid nodig over wat van hem/haar verwacht wordt.

  • De leerling wil regelmatig weten hoe men zijn/haar werk vindt. Soms vragen ze er ook om.

  • Het is voor de leerling nodig dat anderen positieve verwachtingen hebben over zijn/haar functioneren.

  • De leerling is snel uit zijn evenwicht wanneer de sfeer in de klas minder goed is.

  • De leerling is vaak onzeker bij onverwachte en nieuwe situaties. Hij/zij weet niet goed hoe deze situaties aan te pakken. De leerling heeft een sterke behoefte aan overzichtelijkheid bij het verrichten van nieuwe taken. Hij/zij moet stapsgewijs naar een oplossing gebracht worden. Bij nieuwe opdrachten kijkt hij vaak eerst hoe anderen het doen.

  • De leerling geeft de indruk nauwelijks te luisteren of te horen wat er gezegd wordt wanneer een nieuw onderwerp wordt uitgelegd.

  • Bij de leerling kunnen uiterlijke reacties bijvoorbeeld stotteren, zweten, zenuwachtig wiebelen met de benen, oppervlakkig ademhalen, schouders samentrekken en  met de handen friemelen merkbaar zijn.

  • Hartkloppingen, droge mond, vaak naar de wc. Moeten en maagpijn zijn mogelijke innerlijke reacties die door de leerling ervaren worden wanneer een prestatie van hem/haar verwacht wordt.

GEDRAG VAN DE LEERLING WANNEER IETS IN DE KLAS UITGELEGD WORDT;

  • De leerling verstopt zich achter een andere leerling wanneer de docent een vraag aan de hele klas stelt.

  • De leerling doet heel druk en probeert de aandacht vast te houden tijdens de uitleg.

  • De leerling kijkt de docent niet aan tijdens de uitleg.

  • De leerling durft geen vragen te stellen over de nieuwe stof.

  • De leerling heeft moeite met het vasthouden van de grote lijnen tijdens de uitleg.

CONTACT MET MEDELEERLINGEN;

  • De leerling maakt negatieve opmerkingen tegen anderen en tegen zichzelf.

  • De leerling vermijdt contact met medeleerlingen. Het is ook mogelijk dat de leerling grote groepen opzoekt waarin hij/zij zich kan verbergen.

  • De leerling is zeer gevoelig voor kritiek en weet vaak ook niet hoe hij/zij met het krijgen van een compliment moet omgaan.

  • De leerling zoekt voortdurend steun bij zijn/haar medeleerling.

  • De leerling durft geen nee te zeggen wanneer iets van hem/haar verlangd wordt.

TIJDENS PROEFWERKEN EN OVERHORINGEN;

  • De leerling begint later dan anderen met de eerste opgave.

  • De leerling beweegt onrustig heen en weer.

  • De leerling ziet er opgewonden uit.

  • De leerling stelt regelmatig procedurevragen en/of vragen over de opgaven.

  • De leerling is gemakkelijk afgeleid.

  • De leerling raakt in de war, wanneer hij/zij na afloop alle gemaakte opgaven nog eens controleert.

  • De leerling heeft na afloop geen idee over zijn geleverde prestatie.

Wanneer een leerling een aantal van bovengenoemde gedragingen vertoond zou er sprake kunnen zijn van faalangst. Het is van essentieel belang dat, wanneer men vermoedt dat een leerling faalangstig is, men met de leerling hierover in gesprek gaat. De leerling kan dan zelf aangeven in hoeverre en in welke situaties faalangst een rol speelt in zijn leven.

Bij het opgeven van leerlingen voor een faalangstreductie training is het van belang dat de 

ervaren angst situatiegebonden is bijvoorbeeld proefwerken, spreekbeurten en niet als persoonlijkheidstrek.

Daarnaast is de zaak dat de leerling faalangst als een probleem herkent en gemotiveerd is om te werken aan het leren omgaan met spanning.

1. 5    Omgaan met faalangst op school

1. Faalangstige leerlingen hebben veel behoefte aan overzichtelijkheid.
In de lessituatie is het volgende van belang;

  • Dat de lesstof overzichtelijk en stapsgewijs aangeboden wordt.

  • Alvorens door te gaan met een volgend onderdeel de leerlingen voldoende gelegenheid geven om vragen te stellen.

  • Structuur aanbrengen d.m.v. het besprokene te herhalen, voorbeelden geven en het zoeken naar toepassingen.

  • Kleine oefeningen tussendoor geven zodat de leerlingen kunnen controleren of ze de nieuwe leerstof begrijpen.

In de toetssituatie is het volgende van belang:

  • Formuleer de toets opdracht kort en bondig.

  • Geef aan welke of hoeveel opdrachten gemaakt moeten zijn om een voldoende te halen.

  • Kondig aan het begin van de toets aan hoeveel tijd de leerling eraan mogen besteden. Vermijd tijdens het proefwerk het vermelden van de hoeveel tijd die nog over is.

Onverwachte toetsen kunnen voor faalangstige leerlingen extra belastend zijn.

2. Faalangstige leerlingen hebben behoefte aan kennis over de eigen prestaties.

Als leraar kun je hier aan tegemoet komen door;

  • De leerling positief te bevestigen wanneer je ziet dat ze een opdracht goed uitvoeren. Bijvoorbeeld dat gaat goed, prima enz.

  • Taakgerichte informatie te geven over de kwaliteit van het werk. Vertel wat er goed en/of fout is en waarom. Geef aanwijzingen over wat de leerling nog moet leren gezien de gemaakte fouten.

  • Vermijd het geven van negatieve persoonsgerichte opmerkingen. Bijvoorbeeld “je hebt het weer slecht gemaakt”.

  • Stimuleer dat de leerling leert reële doelen te stellen en zijn geleerde prestatie juist toe te schrijven.


3. Faalangstige leerlingen hebben behoefte aan warme persoonlijke relaties.

Als leraar kun je hier aan tegemoet komen door;

  • Te zorgen voor een vriendelijke/veilige sfeer in de klas.

  • Te zeggen en te doen wat je werkelijk bedoelt. Sarcasme is funest voor een faalangstige leerling.

  •  De leerling te laten merken dat je ze accepteert als persoon en dat dit niet afhangt van hun prestaties.

  • Het maken van fouten te beschouwen als onderdeel van het leerproces.

4. Faalangstige leerlingen hebben behoefte aan personen die als voorbeeld dienen.

In de puberteit identificeren jongeren zich het meest met leeftijdsgenoten. Door de leerlingen samen te werken in groepsverband biedt je de faalangstige leerling de mogelijkheid om zich te identificeren met leerlingen  die kwaliteiten hebben die hij/zij zich ook eigen zouden willen maken.

5. Faalangstige leerlingen hebben behoefte aan positieve verwachtingen.

Stimuleer positieve verwachtingen door die hardop aan de leerling te zeggen. Het uitspreken van negatieve verwachtingen moet voorkomen worden. Negatieve uitspraken hebben een verlammende werking en bevestigen de negatieve gedachten van de faalangstige leerling.

 

2.  Uitingen van faalangst

Faalangst kan op verschillende manieren geuit worden.

Poulie beschrijft in haar boek “Meer zicht op faalangst”, verschillende typen:

  1. Prestatietype

  2. Twijfeltype

  3. Overafhankelijke type

  4. Overonafhankelijke type

  5. Isolatietype

Prestatietype; Zo’n kind is alleen maar bezig met presteren. Zijn welzijn hangt af van het cijfer dat hij gehaald heeft. Hij eist van zichzelf de hoogste prestaties en is diep ongelukkig als hem dat niet lukt. Kenmerkend voor dit type kind is ook het zeer harde leren thuis. Het kind besteedt veel tijd aan het leren van het huiswerk. Het heeft als doelstelling voor het leren, dat het een 10 moet halen. Het gevolg is dan wel, veel leren, veel overhoren, veel opnieuw leren, steeds maar weer vragen om opnieuw te overhoren. Een dergelijk leren tot 10 doelstelling is slopend voor een kind

Twijfeltype; De leerling meldt voortdurend dat hij het werk niet kan. Alles is veel te moeilijk. Hij is echt een doemdenker. Zijn werken kenmerkt zich door zuchten en steunen. Als hij iets niet direct weet, is dat een logische bevestiging dat hij ook nooit wat weet. Een dergelijk twijfeltype kind heeft vaak zeer veel moeite om naar school te gaan. School is voor het kind de plek waar angst is. Zo’n plek moet vermeden worden.

Overafhankelijke type; Deze leerling leunt zeer sterk op de leerkracht. Zodra de uitleg is geweest, vraagt hij aan de leerkracht opnieuw uitleg. Deze leerling vraagt voortdurend. Als iets niet lukt, geeft hij direct anderen de schuld. Erkennen dat hij iets niet kan gebeurt bijna nooit. Zo’n leerling kan ook met leerkracht in wanhopige discussies gaan over een fout. Alleen bij bepaalde leerkracht of remedail teacher kunnen zij goed presteren, zo denken zij.

Deze onzelfstandige wijze van werken roept gauw irritatie op bij de leerkracht. Het lijkt wel of deze kinderen weigeren te denken. Eigenlijk is dat ook zo. Zij vertrouwen hun denken niet. Daarom vragen zij zoveel.

Overonafhankelijke type; Hulp vragen is voor deze leerling een nederlaag. Deze leerling wil ten koste van alles bewijzen dat hij wel kan. De leerkracht ziet vaak wel dat hij in de problemen zit (veel krassen, veel gummen, vaak opnieuw beginnen enz. ), maar mag niet ingrijpen. Bij dit type leerling voelt de leerkracht zich vaak ongemakkelijk; hij mag niet helpen. Hij ziet de spanning bij het kind stijgen. Zeer geregeld ontploft de leerling. In blinde woede gooit hij zijn werk weg en is dan heel boos op zichzelf.

Isolatietype; Dit is een zorgelijk type. Deze leerling heeft de moed opgegeven. Hij vraagt zich af, waarom hij nog moet presteren. Als hij moet presteren wordt hij alleen maar bang en als hij niet presteert, wordt hij tenminste niet meer bang. Het slechte cijfer neemt hij dan op de koop toe. Vaak betreft het een kind, dat in het verleden het gedrag van een ander type moeilijk om deze leerling weer aan het werk te krijgen. Werken betekent immers bang worden. Een leerkracht moet dit type faalangst absoluut niet verwarren met motivatieproblemen, al lijkt het er erg op.


2.1.  Wat merk je bij faalangst?

Zoals al gezegd is faalangst een gevoel. Dit gevoel roept reacties op bij de persoon. Een groot deel van deze reacties onttrekt zich aan ons gezichtsveld omdat ze niet direct zichtbaar zijn. De innerlijke waarneembare reacties kan bestaan uit gedachten en lichamelijke reacties die worden opgeroepen.

Een ander deel van de reacties is wel zichtbaar in de vorm van uiterlijke waarneembare lichamelijke verschijnselen en gedrag. Iemand kan op basis van dit uiterlijk gedrag alleen een vermoeden hebben welke gevoelens daarachter een rol spelen.

Kortweg;

Gebeurtenis – faalangst – gevolg

  • gedachten

  • lichamelijke verschijnselen

  • gedrag

Gedachten:

  • ik wil nog een mislukking voorkomen

  • daar haal ik nooit een voldoende voor

  • dat kan ik toch niet

  • ik snap de stof vast niet

  • ik zal wel weer een onvoldoende hebben

  • de leerkracht zal me wel stom vinden

  • wat zal ik afgaan tegenover de anderen

  • als ik een voldoende heb dan is het een wonder

  • zie je nou wel ik kan het gewoon niet

Lichamelijke verschijnselen:

  • ogen neerslaan

  • stotteren

  • transpireren

  • onrustig trillende benen of armen

  • hartkloppingen

  • droge mond

  • brok in de keel

  • vaak naar de wc moeten

  • sneller ademen

  • verkrampingen van de spieren in o.a. de schouders, in elkaar duiken

Gedragingen bij cognitieve faalangst:

  • dichtklappen bij mondelinge beurten

  • duiken weg achter andere leerling als een vraag aan de klas wordt gesteld

  • durven leerkracht niet aan te kijken tijdens de uitleg

  • erg lang over het huiswerk doen

  • huiswerk stampen

  • uitspraken als “dat kan ik toch niet” of  ik zal wel een onvoldoende hebben”

  • vraagt te vaak of iets wel goed is of zo moet

  • onrust en onzekerheid bij nieuwe stof of opdrachten

  • snel uit het gewone doen

  • onrustig of bleek worden bij teruggeven van cijfers

  • beginnen later dan anderen met de eerste opgaven

  • bij controle aan het eind van een toets raken ze volstrekt in de war 

  • veel kijken hoe anderen het doen

  • is geneigd om moeilijke situaties te ontvluchten

Bij motorische faalangst:

  • bang om met het werk te beginnen

  • uitvluchten verzinnen om maar niet mee te hoeven doen (ziekte, kleding) 

  • achteraan in de rij gaan staan

  • anderen voor laten gaan

  • als eerste af zijn

Wanneer de faalangst blijft voortbestaan kan dit grote gevolgen hebben.

Zo kunnen lichamelijke verschijnselen zo erg worden dat de leerling zich daadwerkelijk ziek gaat voelen. Dat zijn bijvoorbeeld de kinderen die met hoofdpijn of buikpijn naar huis gaan vlak voor een proefwerk.

Bij sociale faalangst:

  • durft geen vragen te stellen

  • bang om extra instructies te vragen als iets onduidelijk is

  • is stil, bang om iets te zeggen

  • zondert zich vaak af

  • geneigd zich te verbergen in de grote groep

  • onderdanig

  • durft nier voor eigen mening uit te komen

  • durft geen nee te zeggen

  • druk, nerveus, onrustig gedrag

  • clownesk gedrag

  • agressief brutaal gedrag

  • onredelijk gedrag

De gedachten van de faalangstige kinderen kunnen zo verankerd worden dat er een negatief zelfbeeld of minderwaardigheidsgevoel ontstaat en er sprake is van weinig zelfvertrouwen.

De gedragingen kunnen zich gaan uitbreiden over meerdere situaties, de faalangst groeit uit tot bijvoorbeeld sociale angst.

2.2   Faalangstbegeleiding

Wanneer we faalangst willen beïnvloeden dan kunnen we van start gaan op het moment dat faalangst zich voordoet. We praten dan over curatieve begeleiding die gericht is om de negatieve gevolgen van faalangst te beperken.

Deze vorm van begeleiding kan bestaan uit;

  1. het voeren van individuele gesprekken

  2. het organiseren van een faalangsttraining

Inhoudelijk zullen beide begeleidingsvormen zich richten op het beïnvloeden van de drie aspecten die bij faalangst optreden.

Aandacht voor;

  • het terugdringen van de lichamelijke verschijnselen door het aanleren van ontspanningsoefeningen

  • proberen irrationele gedachten te vervangen door reële gedachten

  • oefeningen waarbij accenten ligt op het aanleren van sociale vaardigheden

 2. 3 Begeleiding van faalangstige leerlingen in de klas

Uit onderzoeken is gebleken dat faalangstige leerlingen meer dan niet-faalangstige leerlingen behoefte hebben aan;

  1. een prettig werkklimaat

  2. structuur

  3. positieve, reële verwachtingen

  4. attributie van succes en falen

1.
Prettig werkklimaat; een prettig werkklimaat in de klas komt bijvoorbeeld tot stand wanneer leerkrachten

  • Vooral letten op de dingen die goed gaan en deze adequaat belonen, in plaats van alleen maar te letten op die dingen die verkeerd gaan en deze afkeuren.

  • Begrip tonen voor eventuele problemen van leerlingen en hem te helpen zijn gevoelens onder woorden te brengen.

  • Conflicten bespreekbaar maken;

  • Tactisch en geduldig blijven als leerlingen fouten maken.

  • Negatieve spanningsontladingen, zoals zuchten en mopperen vermijden.

  • Naar de leerlingen toe de gebruikelijke omgangsnormen in acht nemen


2.
Structuur; een duidelijke overzichtelijke structuur van de lessituatie zal tot minder onzekerheidsgevoelens bij leerling aanleiding geven. Dit kan bijvoorbeeld door de leerstof in kleine, overzichtelijke stappen aan te bieden in meer concrete vorm met voorbeelden en door voorkennis vaker te herhalen. Dit kan ook door de leerlingen een systematische studie- en huiswerkaanpak aan te leren. Bij een proefwerk is het beter ervoor te zorgen dat de leerlingen de vragen op papier voor zich krijgen, in plaats van dat de leerkracht de vragen afzonderlijk voorleest en telkens tijd geeft voor de onmiddellijke beantwoording ervan. Ook kan men voorafgaand aan het proefwerk een proefproefwerk geven en dit met de gehele klas nakijken. Hierdoor kan de proefwerksituatie minder dreigend worden. Dit geldt ook voor het houden van een spreekbeurt: deze kan van te voren geoefend worden op een bandje of met de leerkracht alleen. Daarna kan de spreekbeurt voor de klas gehouden worden voor een cijfer. Het geven van feedback bij de uitvoering van de taken is belangrijk. Een faalangstige leerling heeft direct na het werken aan de taak feedback nodig, hij wil graag meteen weten of hij iets goed of fout heeft gedaan. Deze feedback moet duidelijk en specifiek zijn; op de taak gericht en beslist niet op de persoon. De leerling moet er goed mee uit de voeten kunnen. Duidelijk aangeven wat er van de taak fout is en hoe de fouten verbeterd moeten worden. Bij het geven van structuur en feedback geldt het geleidelijkheidprincipe. In het begin heeft de faalangstige leerling veel aandacht, begeleiding, direct feedback en hulp bij de indeling van de leerstof nodig, maar dit zal geleidelijk afgebouwd worden. Anders wordt de leerling te afhankelijk. De leerling zal geleerd moeten worden zelfs structuur in zijn werk aan te brengen. Het einddoel van de begeleiding is immers, dat leerlingen zelfstandig en met zelfvertrouwen leren werken.

3.
Positieve, reële verwachtingen; Te hoge verwachtingen maken de faalangstige leerling nog faalangstiger. Te lage verwachtingen zijn slecht voor het zelfbeeld. Positieve verwachtingen waaraan de leerling kan voldoen zijn het beste. De leerkracht kan de leerling helpen om zijn eigen eisen leren stellen en zijn eigen prestaties leren schatten. Faalangstige leerlingen vermijden het liefst prestatiegerichte activiteiten of kiezen doelen die ver boven of beneden hun capaciteiten liggen om negatieve gevoelens te ontlopen. Ze vermijden op deze manier een bevestiging van eigen bekwaamheid en maken tegelijkertijd herwaardering van hun zelfbeeld onmogelijk. Om deze spiraal te doorbreken moeten deze leerlingen voor zichzelf realistische doelen stellen, doelen die aangepast zijn aan hen eigen capaciteiten. In de realiteit van de grote klassen is dit slechts in geringe mate mogelijk. De leerkracht kan echter de leerling wel helpen die taken / doelen te keizen die hij aan kan. Ook kan de leerkracht de leerling feedback geven over de kwaliteit van zijn prestaties. Hij kan variaties aanbrengen in de leerstof, die individueel gericht zijn.

4.
Attributie van succes en falen; De verklaringen die door de leerkracht worden geven voor het slagen en falen van een leerling, hebben grote invloed op de wijze van toeschrijving van succes en falen door de leerling. De leerkracht moet proberen de negatieve instelling van de faalangstige leerling te doorbreken en zich duidelijk uitspreken over het waarom van het falen / slagen van de leerling. Opmerkingen als: “je moet beter je best doen”en “je zal wel niet goed geleerd hebben tegen faalangstige leerlingen die juist keihard hebben geleerd, hoeven dan niet voor te komen.

3.   Wat kan een leerkracht doen?

Algemene aanpak;

  • Faalangstige kinderen hebben behoefte aan overzichtelijkheid.

  • Reageer en help als een leerling onzekerheid vertoont.

  • Bouw de leerstof op uit stapjes die gemakkelijk te overzien zijn.

  • Geef oefeningen tussendoor zodat gecontroleerd kan worden of de stof begrepen is.

  • Geef korte overzichtelijke opdrachten.

  •  Geef het huiswerk op ruim voordat de bel gaat zodat niet op de valreep van alles genoteerd moet worden.

  • Praat bij huiswerk zeker in het begin over hoe de leerstof geleerd moet worden.

  • Zorg dat de leerlingen bij een proefwerk de vragen op een kopie krijgen of van het bord kunnen lezen. Dit is beter dan de vragen afzonderlijk voor te lezen, en dan telkens tijd te geven voor beantwoording.

  • Laat duidelijkheid bestaan over de zwaarte waarmee cijfers voor mondelinge beurten meetellen in verhouding tot cijfers voor schriftelijke overhoringen en proefwerken.

  • Bij een toets kan ook aangegeven worden welke opdrachten in ieder geval gemaakt moeten zijn om een voldoende te krijgen. Maak een opbouw van makkelijk naar moeilijk.

  •  Zorg dat er niet teveel tijdsdruk is. Geef ruimschoots de gelegenheid om iets af te maken. Opmerkingen als nog “5 minuten “werken verlammend.

  • Maak foutenanalyses van werk; geef aan waar fouten zitten.

  • Schenk aandacht aan duidelijke regels, eisen en afspraken (ook in de klas).

  • Faalangstige leerlingen zijn gebaat bij zekerheid over toekomstige gebeurtenissen

  • Na klassikale instructie kan het zinvol zijn voor faalangstige leerlingen op schrift of bord de opdracht meer te structureren, bijv.duidelijke onderverdeling in stapjes.

  • Laat de aangegeven structuur in het begin duidelijker zijn dan later.

  • Geef tijdens het uitleggen, voorlezen en vertellen samenvattingen zodat de leerling het gevoel heeft dat hij greep houdt op het onderwijsgebeuren.

  • Grijp regelmatig terug naar bekende leerstof. Herhaal die in het kort en sluit de nieuwe leerstof daar op aan.

  • Geef geen onverwachte proefwerken of beurten. Je kunt met de faalangstige leerlingen van te voren individuele afspraken maken over tijd en aard van overhoring. Laat de leerling eventueel zelf initiatief nemen voor een overhoring.

  • Geef vrijblijvende proefproefwerken zonder beoordeling en bedoeld voor feedback en bekendmaking van de aard van de vragen. Dit kan gezamenlijk in de klas worden nagekeken. Datzelfde kan men doen t.a.v. mondelinge overhoringen.

  • Geef geen beurten voor de klas. Een beurt in de klas op je eigen plaats is al erg genoeg.

Faalangstige kinderen hebben behoefte aan kennis over eigen prestaties;

  • Kom samen met leerlingen tot redelijke verwachtingen, wat is een reële inschatting.

  • Maak samen met de leerlingen een zgn. prognoserapport, waarin de verwachtingen t.a.v. te behalen cijfers bij het volgende rapport vastgelegd worden.

  • Het is belangrijk positieve verwachtingen uit te spreken t.a.v. de prestaties van het faalangstige kind, waarbij men natuurlijk niet te hoog moet grijpen.

  • Bouw zoveel mogelijk succeservaringen in door taken aan te bieden die ze aan kunnen

  •  Maak ze bewust van de prestaties of werkwijzen die redelijk of goed worden uitgevoerd.

  • Het is van belang zo snel mogelijk informatie te geven over de wijze waarop ze taken hebben uitgevoerd.

  • Maak samen met de leerling een lijstje met door hem veel gemaakte fouten, dat hij als checklist bij zijn werk kan gebruiken.

Faalangstige leerlingen hebben behoefte aan warme persoonlijke relaties met de leerkracht en klasgenoten;

  • Zorg voor een vriendelijke, niet bedreigende sfeer in de klas.

  • Treedt het kind niet veroordelend tegemoet maar accepteer dat het nog zo faalangstig is.

  • Haal zoveel mogelijk het competitie-element uit de lessituatie.

  • Persoonlijke erkenning van de leerkracht is van wezenlijk belang. Stel de acceptatie van een leerling niet afhankelijk van de prestaties die de leerling levert.

  • Van belang is dat de docent voorspelbaar is in zijn gedrag.

  • Zoek als leerkracht wat vaker contact met het kind en zorg ervoor dat deze contacten positief verlopen.

  • Probeer het kind te stimuleren en bemoedigend te benaderen.

  • Veroordeel of geringschat de twijfelachtigheid, aarzelingen en bangheid van het kind niet.

  • Geef geen negatieve persoonsgerichte kritiek.

  • Bij een positief resultaat is persoonsgerichte kritiek juist wel goed.

  •  Gebruik geen boodschappen met dubbele bodems bijv. “dat vind ik een geweldige prestatie van jou” bij onvoldoenden.

  • Vermijdt alle cynische opmerkingen of negatieve kritiek (“jou lukt nooit iets”)

  • Wees erg voorzichtig met conclusie als “je zit weer te suffen”, “je denkt niet na”, “je hebt weer niet opgelet”, “zit je me nou te pesten of wat ben je aan het doen?” “je hoort hier thuis.”’

  • Positieve uitingen in de vorm van schouderklopjes, vreugde over de behaalde prestaties zijn erg belangrijk.

  • Een optimistische houding heeft een voorbeeldfunctie. Een leerkracht kan positieve verwachtingen hardop uitspreken en daarmee een andere draai geven aan de negatieve spiraal waarin de leerling zit. 

  • Leg de nadruk op wat goed is in plaats van op fouten of mislukkingen. Vergelijk het faalangstige kind niet met de klassikale norm maar met zichzelf.

  • Leer de leerlingen de successen toe te schrijven aan oorzaken binnen jezelf. Dus oorzaken die je kunt beïnvloeden. Leer ze ontdekken dat ze zelf verantwoordelijk zijn voor die prestaties.

  • Een reactie op het maken van fouten zijn “van je fouten kun je leren”en “het is heel normaal dat je fouten maak, we zijn toch op school om te leren.”

  • Geef het kind wat extra tijd om een antwoord op een vraag te geven.

  • Negatieve faalangstige leerlingen werken graag met iemand samen, aan wie ze zich op kunnen trekken. Iemand die kenmerken heeft die zij zelf zouden willen hebben. Houdt met dit gegeven rekening bij de samenstelling van groepen. Let dan wel op dat de faalangstige leerling niet gedomineerd wordt.

  • Laat het kind merken en voelen dat je vertrouwen hebt in zijn / haar mogelijkheden

3.1.   Middelen voor faalangstvermindering

Waar sprake is van “leerling” wordt bedoeld de faalangstige leerling.

  1. De leerling niet voor het bord laten komen.

  2.  Geen plotselinge beurten geven.

  3. Uitleg koppelen aan de taak die straks uitgevoerd moet worden.

  4. Tevoren nagaan of leerling begrepen heeft wat hij moet doen.

  5. Werkwijze van te voren laten noteren op stukje papier.

  6. Overzicht geven van de in het verleden gemaakte foute oplossing.

  7.  Indien nodig en mogelijk de leerlingen opgaven laten maken per soort.

  8. Vragen formuleren van lagere moeilijkheidsgraad.

  9. Antwoorden op vragen gedeeltelijk geven als niet afgemaakte zinnen.

  10. Onderwerpen vast stellen in overleg met de leerlingen

  11. Afspreken dat schriftelijk werk (opstel e.d.) niet klassikaal voorgelezen zal worden.

  12. Oefenen in het opschrijven van de eerste inval bij stellen.

  13.  Nonsensverhaal laten schrijven, hierbij ook de ikvorm gebruiken.

  14.  Oefenen in het afmaken van zinnen bij stellen.

  15. Bij mondelinge beurt de leerling niet voor de klas laten komen.

  16. De faalangstige leerling tijdelijk vrijstellen van mondelinge beurt,daarna de beurt ruim van tevoren aankondigen.

  17.  Voorkomen dat andere leerlingen bij zijn / haar mondelinge beurt de vingers opsteken.

  18. Bij mondelinge beurt stimuleren met: “Denk maar rustig na, “zeg maar wat je invalt.”

  19. Bij een mondelinge beurt de leerling op het spoor brengen van het antwoord.

  20. Onmiddellijk duidelijkheid geven of het antwoord goed of fout is en zeggen waarom.

  21. Bij schriftelijke overhoringen de leerling hiervan tijdelijk vaststellen.

  22. Een oplossingsschema of algoritmekaart ter beschikking geven.

  23.  Een overzicht geven van in het verleden gemaakte foutieve oplossingen in schriftelijk werk.

  24. Slechts een gedeelte laten maken, zodat hij/zij meer tijd heeft.

  25. Bij schriftelijk werk langs de leerling lopen, naar het werk kijken en zeggen:”Dat gaat heel goed.”

  26. Waar nodig bij schriftelijk werk onopvallend specifieke hulp bieden.

  27. De leerling stimuleren de eerste indruk op te schrijven.

  28. Tevoren een “proefoverhoringen”geven die niet meetelt.

  29. Vraagstukken selecteren over kleinere gedeelten van de stof.

  30. Tevoren een duidelijk overzicht maken van waar het proefwerk over gaat.

  31.  Voorbeelden laten zien van de diverse onderdelen.

  32.  Bij spreekbeurten van tevoren met de leerling het onderwerp bespreken en structuur aanbrengen.

  33. De leerling spreekbeurt voor laten bereiden met anderen en in de uitvoering ieder een taak geven.

  34. Bij spreekbeurt op zijn /haar plaats laten zitten.

  35. De leerling maakt thuis eerst een bandopname van de spreekbeurt en neemt die door met de leerkracht.

  36. Bij het onderdeel drama de leerling aanvankelijk geen rol geven; pas in een later stadium inschakelen van eenvoudig naar wat moeilijk.

  37. De rol met de leerling doorpraten.

  38.  De leerling geen solorol geven, maar laten acteren in een groepje.

  39. Waar mogelijk maskers gebruiken.

  40. Bij handvaardigheid, tekenen de leerling zoveel mogelijk laten samenwerken met anderen.

  41. De producten niet klassikaal bespreken, maar individueel feedback geven.

  42. Laat de leerling langer werken in de techniek en met de materialen waarin hij goed is.

  43. Geef de leerling aanvankelijk meer steun en goedkeuring dan normaal, maar laat dit geleidelijk teruglopen.

  44. Geef kleine opdrachten en bespreek deze zowel vooraf als achteraf.

  45.  Bij bewegingsonderwijs de leerling niet als eerste iets voor laten doen.

  46. Proberen de reacties van andere leerlingen zoveel mogelijk onder controle te houden.

  47. Bij de les betrekken en hem/haar zelf eens iets uit laten kiezen.

  48. Prestatie-element of competitiesfeer niet teveel benadrukken.

  49.  De leerling bepaalt zelf zoveel mogelijk de hoeveelheid, de moeilijkheidsgraad en de organisatie van de te verwerken stof.

  50. Benadrukken dat de verantwoordelijkheid voor het werk en de taken bij de leerling zelf blijft liggen.

  51. Voor een beladen vak een leercontract met de leerlingen opstellen.

  52. Zoveel mogelijk onmiddellijke concrete informatie geven over de resultaten (feedback).

  53. Feedback dient gedragsgericht te zijn (Als je het nu eens zo en zo aanpakt…”) en niet doelgericht (“Zorg ervoor dat je de volgende oefening foutloos maakt.)

  54. Zelf laten controleren van gemaakte taken en proefwerken, gevolgd door een foutenanalyse.

  55.  De wijze waarop beoordelingen van proefwerken en rapportcijfers tot stand komen moet voor de leerling duidelijk zijn.

  56. Groepsstructuur: elke individuele leerling krijgt een groepscijfer, dus het gemiddelde cijfer dat door een groep is behaald op een taak, proefwerk.

  57. Groepsgewijs leren verbaliseren en formuleren van de geleerde stof.

  58.  Breng afwisseling in de opgaven en in de lessen wat betreft werkvormen en leeractiviteiten.

  59.  Beschrijf gedurende de eerste 5 minuten van de les wat men deze les doet.

  60. Evalueer aan het eind van de les kort of de leerlingen het doel bereikt hebben.

  61. Geef bij huiswerkopdrachten aan op welk niveau (feitenkennis; begrip; relaties tussen begrippen; geïntegreerd in eigen referentiekader, eigen ervaring of bestaande kennis; toepassen in nieuwe situaties.)

  62. Geef aan wat de functie van de toets is: selectief of diagnosticerend.

  63. Geef de waarde van de toets aan in relatie tot een komend rapport.

  64. Schep duidelijkheid over herkansingsmogelijkheden.

  65. Maak duidelijk aan de leerling wanneer vragen wel of niet mee zullen tellen voor de beoordeling.

  66. Denk eens na over het feit of alle vragen wel de zelfde “zwaarte”moeten hebben; zo niet, maak dan vooraf aan de leerling duidelijk hoeveel punten men per vraag kan “verdienen.

  67. Bepaal in gezamenlijk overleg tussen de moderne vreemde talen hoeveel en welke woorden de leerling op welke wijze moet leren: gaat het om spelling, om de vertaling of om beide?

  68. Veel onmiddellijke feedback is te ver krijgen door de leerling met computerprogramma’s te laten werken.

  69. Maak schema’s en modellen van de al behandelde stof; herhaal dit stof.

  70. Dramatiseer teksten en laat leerlingen uitbeelden wat in een bepaald verhaal beschreven wordt.

  71. Probeer leerlingen tijdens en na het leveren van een prestatie te bemoedigen en doe dit systematisch.

  72. Geef in de les korte taken tussendoor waarbij de leerlingen planmatig leren werken.

  73. Breng in de lessen de volgende structuur aan
    - wat is de leerstof, doelen en hoofdlijnen
    - hoe moet die aangepakt worden, niveaus van kennis
    - de uitvoering: veel variatie aanbrengen
    - controle op het resultaat; ook zelfcontrole

  74. Deze methodiek moet de leerling ook zelf meenemen als houding en structuur bij de zelfstudie.

  75. Formuleer toetsvragen helder en eenduidig.

  76. Bouw de vragen op van makkelijk naar moeilijk; feitenkennis, begrip, relaties tussen begrippen, geïntegreerd in eigen referentiekader, eigen ervaring of bestaande kennis; toepassen in nieuwe situaties.

  77. Geef aan wat de functie van de toets is: selectief of diagnosticerend.

  78. Geef de waarde van de toets aan in de relatie tot een komend rapport.

  79. Schep duidelijkheid over herkansingsmogelijkheden.

  80. Bepaal als sectie een strategie, samengesteld uit een aantal hierboven genoemde punten en voer die een maand lang uit; bespreek daarna de resultaten.



Samengesteld door Sandra Wenneker 

Bron: 
J. De Bree - Gedrags- en werkhoudingsproblemen / zorgverbreding
Van Loghum Slaterus - Remedial Teaching
ECNO



Theoretische informatie over faalangst

Faalangst
Faalangst heeft vooral te maken met angst voor de mening en negatieve reacties van anderen.

We kunnen vaak moeilijk omgaan met kritiek en complimentjes en durven onszelf niet te uiten uit angst tekort te schieten of fouten te maken. Een dergelijk negatief zelfbeeld gaat vaak samen met allerlei lichamelijke klachten, van vermoeidheidsverschijnselen tot een slechte motoriek.

Door inzicht te krijgen in wat faalangst is en met behulp van oefeningen kunnen we ons zelfvertrouwen vergroten en komen zo uit de negatieve spiraal van de faalangst.

 

De negatieve kenmerken van faalangstige mensen manifesteren zich in alle aspecten van de persoon, zoals in zijn of haar lichaam, gevoelens en emoties, relaties, in zijn kijk op zichzelf en op anderen en op de wereld als geheel.

Alle vormen van angst hebben een negatieve invloed op het lichamelijke en geestelijke functioneren en vormen zelfs een belemmering voor de groei naar volwassenheid.

 

1. Wat is faalangst
Onder faalangst verstaat men de angst dat iets dat men wil gaan doen of van een ander moet doen, mislukt. (zich zenuwachtig voelen).
Bij leerlingen komt deze angst voor in de vorm van dichtklappen tijdens een proefwerk, tentamen, examen of als ze iets niet begrijpen, geen vraag durven stellen in de klas, of achter een andere leerling wegduiken als de docent in hun richting kijkt. Vooral bekend is angst voor een spreekbeurt, wanneer een groep leerlingen of volwassenen naar de spreker kijkt.
Sommige mensen hebben in een groot aantal verschillende situaties last van faalangst, anderen alleen in bepaalde situaties of bij bepaalde mensen. Meestal heeft men last van faalangst en daarmee minder goed functioneren of zelfs dichtslaan, bij belangrijke mensen die streng overkomen, zoals bij een strenge vader, docenten, politieagent, een arts etc.
Sommige kinderen, pubers en volwassenen hebben thuis nergens last van, maar wel op school, het werk of ergens anders; bij anderen is het juist andersom.

Faalangst hangt nauw samen met angst voor kritiek, waarbij men ook nog eens bang is omdat men niet weet hoe daarop te reageren. Mensen kunnen werkelijk op alles kritiek hebben, op je uiterlijk, je kleding, je manier van praten, je manier van lopen, hoe je een hand geeft, hoe je kijkt, de kleur van je haar, je gezicht, je tanden. Wat de een goed vindt, vindt een ander slecht, wat de een mooi vindt, vindt een ander afschuwelijk. Achter alle goedkeuringen of afkeuringen zitten duizenden normen en waarden.

Faalangst is ook de angst dat men moeilijk uit zijn woorden komt, gaat stotteren en dan wordt uitgelachen. Vrijwel altijd heeft die angst te maken met iets wat men in het verleden heeft meegemaakt, vaak meerdere malen, soms een enkele keer.

Faalangst lijkt vooral op te treden als men iets moet doen voor een ander, die met zijn of haar normen kijkt, luistert, beoordeelt en veroordeelt.

Men heeft meer last van faalangst als er veel van afhangt hoe men in een bepaalde situatie presteert. Bij sommige docenten is een rapportcijfer het gemiddelde van meerdere proefwerken. Sommige docenten geven, voor het bepalen van een rapportcijfer, maar een enkel proefwerk, waardoor er veel meer van afhangt. Voor faalangstige mensen is dat een ramp.

Als men faalangstig, verlegen of bang is, kan dit overal en bij iedereen zijn, maar het komt vaker voor dat het in bepaalde situaties optreedt. Een zekere mate van angst is normaal, zeker als men ergens naar toe gaat waar men nooit eerder geweest is, of iets moet doen wat men nooit eerder gedaan heeft. Veel faalangstigen proberen te verbergen dat ze iets niet kunnen, dat ze zenuwachtig zijn, maar ze zijn dan tevens bang dat ze zich zullen verraden, dat ze gaan blozen, stotteren, dat hun handen gaan trillen etc. Als men iets gaat doen, is er altijd een kleine of grote kans dat het niet lukt.

Elke mens zou moeten weten hoe te reageren als iets niet lukt en als anderen daar negatieve opmerkingen over maken of je uitlachen.

Faalangst gaat samen met tal van andere zaken, waaronder een negatief zelfbeeld.

Door het negatieve zelfbeeld en de negatieve woorden die men tegen zichzelf zegt, is de kans groot dat het lichaam en de hersenen minder goed functioneren, waardoor zelf iets mislukt wat in een ontspannen toestand wel zou lukken. Angst maakt dat er stoffen in het lichaam afgescheiden worden, waaronder adrenaline, die een negatieve invloed hebben op het goed functioneren van het lichaam en de hersenen, waardoor inderdaad de kans groter is dat men minder presteert en dus bevestigd wordt in de negatieve verwachtingen. Iemand die aan faalangst lijdt denkt zelfs dat de kans op mislukken 90 tot 100 % is en het eigenlijk geen zin heeft ergens aan te beginnen, bijvoorbeeld een proefwerk doen, een lezing houden. Als men er echt voor 100 % van overtuigd zou zijn een proefwerk of examen niet te zullen halen, kan dit een ontspanning veroorzaken, dat men juist wel slaagt.

Bij de voorbereiding van een examen zeggen ze constant negatieve dingen tegen zichzelf zoals: ik zal het wel niet halen, ze zullen wel moeilijke vragen stellen. Deze negatieve en telkens weer herhaalde opmerkingen kan men zien als een soort zelfhypnose: men praat zichzelf steeds verder de grond in. Men moet hiermee ophouden en negatieve gedachten zelfs vervangen door positieve.

Faalangst gaat samen met andere negatieve verschijnselen, zoals verlegenheid, gebrek aan zelfvertrouwen, zich minder voelen dan anderen, niet tegen kritiek kunnen.

Belangrijk is dat men inzicht heeft in wat faalangst is, in welke situaties men daar last van heeft en hoe deze ooit is ontstaan; ook is het van belang zich er bewust van te worden hoe men faalangst zelf in stand houdt door de negatieve opmerkingen tegen zichzelf en dat men bovendien moet stoppen met het maken van negatieve opmerkingen over zichzelf tegen anderen.

Faalangstigen onderschatten zichzelf vaak op een of meer terreinen of over de hele linie. Het zich minder voelen betreft vaak kennis over bepaalde onderwerpen. Men stelt kennis en iets kunnen gelijk aan “zijn”. Men voelt zich niet oké. Dit kan zo erg zijn dat je het gevoel hebt er niet te mogen zijn, dat je geen recht hebt op jouw plekje op deze wereld, dat je het liefst weg zou willen kruipen, zodat niemand je nietswaardigheid kan zien en last van je heeft. Vaak gaan de mensen met faalangst ervan uit dat zij hun bestaan moeten verdienen door hard werken en perfecte resultaten te leveren.

De gebieden waarop dit zoal speelt zijn: minder snel en minder helder kunnen denken, een minder goed geheugen hebben, zich niet kunnen concentreren, geen aanleg hebben voor talen of exacte vakken, langzaam van begrip zijn, moeite met praten of gedachten onder woorden brengen, een geringe woordenschat bezitten, doordat ouders of anderen weinig met hun spraken en hen ook later weinig of niet helpen met het uitbreiden van de woordenschat; vaak hebben deze mensen ook weinig vaardigheid vrienden te maken en te houden.

Dit alles heeft niets met je mens-zijn te maken. Elk van deze zaken kun je verbeteren door goede voeding, ontspanning, herbeleving van verdrongen emoties, je laten masseren, zelfkennis, gesprekken met anderen, goede boeken lezen etc.

Bij faalangst gaat het niet alleen om de angst dat iets niet gaat lukken, maar vaak nog meer om wat daarna gaat komen, zoals negatieve opmerkingen, belachelijk gemaakt te worden of bij jonge kinderen lichamelijk geweld in de vorm van geslagen worden, straf krijgen.

Hoe groter de straf die men voorziet, des te groter vaak de faalangst. Die negatieve verwachtingen hangen nauw samen met voorgaande ervaringen. Hoe vaker men negatieve kritiek te horen heeft gekregen, des te groter de negatieve verwachtingen en des te groter de faalangst.

Leerlingen met faalangst zijn bang, dat de docenten zeer negatief zal reageren als zij geen antwoord kunnen geven op een vraag, of dat de klas hen uitlacht. Leerlingen weten niet hoe ze op negatieve reacties kunnen reageren, ze klappen dicht en staan met de mond vol tanden.

Faalangstigen zijn vaak onzeker. Als zij een ander zouden willen vragen mee uit te gaan of langs te mogen komen, zijn ze bang dat die ander hen zal afwijzen. Ze hebben dus zeer negatieve verwachtingen van wat er zal gebeuren, nadat ze iets minder goed gedaan hebben of iets zelfs helemaal mislukt is. Ze zouden moeten weten hoe ze zouden kunnen reageren als het inderdaad zou mislukken. Mensen met weinig faalangst hebben die negatieve verwachtingen in zeer geringe mate of helemaal niet en als een ander negatief reageert, weten ze vaak wel iets terug te zeggen.

Faalangst kan men niet los zien van de wereld, het gezin, de ouders en hoe zij met het kind omgingen, de manier van opvoeden, de godsdienst waarin men opgroeit, de scholen die men bezoekt, de docenten van wie men les krijgt en de negatieve manier waarop deze op overtredingen en of fouten reageren, de normen en waarden die gehanteerd worden en aan de hand waarvan je beoordeeld wordt, de maatschappij, die steeds hogere eisen stelt en steeds agressiever lijkt te worden etc.

Veel structuren in de maatschappij zijn gebaseerd op angst, ook het onderwijs doet daaraan mee, en veel ouders gebruiken angst bij het opvoeden in de vorm van dreigen met straf, of ze gebruiken zelfs lijfelijk geweld tegenover kinderen.

Steeds meer mensen accepteren deze zaken niet meer van hun leiders en misleiders en komen steeds vaker en steeds makkelijker in opstand. Faalangst heeft meestal betrekking op geen succes hebben op maatschappelijk gebied, met alle gevolgen van dien.
Faalangst heeft tal van negatieve gevolgen op allerlei gebieden, waaronder de lichamelijke gezondheid, het gevoelsleven, de relaties met anderen, de prestaties op school en op het werk. Faalangstige mensen kunnen vaker ziek zijn; vaker ziek zijn houdt in dat men vaker een beroep doet op een arts, fysiotherapeut, psychiater en vaker van school en werk verzuimt.
Op de lange duur betekent faalangst het ontstaan van allerlei ziektes, waarbij je kunt denken aan hartklachten, rugklachten, migraine, hoge bloeddruk, maag- en darmproblemen.

Mensen met faalangst durven vaak geen kritiek te uiten; ze sparen het op, waardoor verkrampingen ontstaan tot men explodeert. In een relatie sloven ze zich vaak enorm uit om aardig gevonden te worden, komen niet voor zichzelf op, met het gevolg dat ze weglopen omdat ze de relatie niet aankunnen of overspannen raken doordat ze teveel van zichzelf eisen; of ze houden zich zeer rustig en laten zich door de ander overheersen. Velen doen zich anders voor dan ze zijn, en zijn constant bang dat anderen hen eens zullen doorzien. Er zijn mensen met faalangst die de relatie uitmaken als ze merken dat de ander te dichtbij komt, terwijl ze het eigenlijk niet willen uitmaken. Men durft eigenlijk nooit zichzelf te zijn.

Bij pubers heeft faalangst een sterke impact op de wijze waarop ze deze levensfase doorkomen. Ze hebben een extra grote behoefte aan complimentjes, willen erg graag aardig gevonden worden en durven vaak geen nee te zeggen.

Veel faalangstigen proberen door stoer gedrag hun faalangst te compenseren of geven veel geld uit aan drank, waarbij ze en zelf veel drinken en anderen veelvuldig trakteren. Daarvoor moeten ze weer allerlei baantjes aannemen, waardoor de studie in het gedrang komt. Ook voelen ze zich verplicht, wat kleding betreft, met de laatste mode mee te doen. Vaak zijn andere faalangstigen de eersten die kritiek op hen hebben als ze niet meedoen met de laatste mode. Gaan roken om stoer te doen hangt vaak ook samen met faalangst; hetzelfde geldt voor gebruik van drugs en het drinken van alcohol. Veel jonge mensen met faalangst hebben grote problemen thuis met ouders en zijn eerder geneigd samen te gaan wonen en zich in een relatie te storten waar ze eigenlijk niet aan toe zijn. Veel ouders zien dat hun kinderen op school minder presteren dan ze zouden kunnen. Meestal hebben die ouders totaal niet door dat zij zelf daar een van de oorzaken van zijn.

Faalangst maakt dat schoolgaande kinderen minder goede cijfers halen en daardoor zelfs blijven zitten of na een paar klassen, de school vroegtijdig verlaten. Als ze de eindstreep wel halen, is de kans groot dat ze minder hoge cijfers behalen en daardoor bepaalde opleidingen niet kunnen volgen, waardoor ze een bepaald beroep niet kunnen gaan uitoefenen.

Het grote probleem voor de scholen is een omgeving te creëren die kindvriendelijk is, waar men tevens leert. Dat wil zeggen; duidelijke regels, dat de leerling weet wat er van hem of haar gevraagd wordt, structuur, zodat er voldoende gepresteerd kan worden en de kans op slagen groter wordt.

De scholen moeten niet alleen letten op bruikbare kennis, maar ook steeds meer op het gevoel en het lichaam letten. Faalangstige leerlingen hebben minder goed contact met hun lichaam en bewegen armen en benen volgens de telgang op en neer in plaats van gekruist; zijn op school vaak minder goed tot slecht in sport en worden bij groepsspelen, zoals handbal, als laatste gekozen, wat vaak zeer negatieve gevoelens oproept, vooral omdat de hele groep daarvan getuige is, waardoor het zelfbeeld nog negatiever wordt.

Kinderen en jongeren met faalangst weten niet goed met kritiek om te gaan. Faalangst maakt dat de gezondheid minder goed is met daardoor meer kans dat men de school verzuimt, daardoor slechte cijfers behaalt of zelfs blijft zitten en op het voortgezet onderwijs tijdig de school verlaat en moeilijker een goede baan kan vinden.

Door de spanning en zenuwachtigheid is de kans groter dat men fouten maakt. Als ze goede ideeën hebben, krijgen anderen die niet te horen.

Faalangst gaat meestal samen met onzekerheid en twijfel aan eigen weten en kunnen; daardoor is men afhankelijker van anderen, zoekt men steun bij anderen, waardoor een grotere kans bestaat om gemanipuleerd te worden. Men laat zich gemakkelijker van alles aanpraten, zoals kleding, dure auto etc. om de eigen status wat op te vijzelen.

Veel mensen lijden aan depressie, worden daarvoor behandeld en slikken bergen medicijnen. Men heeft minder contact met het wijzere deel in zichzelf; daardoor zijn mensen veel meer afhankelijk van kennis en moeten ze het hebben van hun denken, waar ze juist zeer weinig vertrouwen in hebben.

2. Faalangst en het lichaam

Faalangst hangt nauw samen met lichamelijke verschijnselen; hoe groter de angst, des te sterker de verschijnselen.

Veel voorkomende lichamelijke verschijnselen zijn; gespannen spieren, met de borstkas in- en uitademen i.p.v. met de buik, af en toe een versnelde hartslag; zenuwachtig gedrag in de vorm van met de vingers trommelen, op een stoel wiebelen, schichtig heen en weer kijken, je niet aan durven kijken en problemen met aangekeken worden; opgetrokken schouders en gespannen spieren in de schouders, die pijn doen als je erop drukt, spanning in de keel, waardoor men soms problemen heeft met praten en soms zelfs gaat stotteren. Bovendien heeft men vaak koude voeten, zweethanden en zweetvoeten gespannen buikspieren en spanning in het achterhoofd. Veel hebben snel last van zweten, wat samengaat met een lage huidweerstand.

Bij ernstige aanvallen van faalangst stoppen de speekselklieren met het produceren van speeksel, waardoor men een droge mond krijgt en nauwelijks meer kan eten. Ook kan men bij faalangst minder helder denken en het geheugen werkt minder goed. Vaak is het moeilijk zich te ontspannen en in slaap te vallen of lang door te slapen, waardoor men ’s morgens bij het opstaan minder fit is en zich overdag minder goed kan concentreren, met alle negatieve gevolgen van dien.

Alle angsten, waaronder faalangst, hebben via het zenuwstelsel en de hormonen een negatieve invloed op het lichaam, waaronder de hersenen en de spieren. Angst staat normaal in dienst van het lichamelijk overleven, in de vorm van aanvallen of vluchten, maar in geval van faalangst lijkt het overleven te verminderen. In toestanden van “gevaar”moet het lichaam extra actief worden, om aan te vallen of te vluchten. Als men het idee heeft dat men het gevaar aankan, probeert men het met aanvallen en vechten, als men het idee heeft dat de tegenstander te sterk is, probeert men zich eraan te onttrekken door zich stil houden of te vluchten. In geval van aanvallen of vluchten moet het lichaam meer dan normale lichamelijke prestaties leveren.

Faalangst maakt dus dat spieren meer gespannen worden, zodat men klaar is om te vechten of te vluchten. Als men deze activiteiten niet verricht of kan verrichten, voelt men zich wel gespannen. Deze spanning uit zich in zenuwachtig gedrag zoals niet rustig op een stoel kunnen zitten, met de vingers trommelen, opstaan en gaan ijsberen etc.

Adrenaline wordt versneld afgebroken door zuurstof, die we via de longen binnenkrijgen. Door opzettelijk diep- in en uit te ademen, vooral door daarbij de buik te gebruiken, krijgt men meer zuurstof binnen en wordt de adrenaline versneld afgebroken. Bij een keer diep in- en uitademen krijgen we in een keer 4,5 liter lucht binnen. Langzaam in- en uit te ademen heeft ook een ontspannend en rustig makend effect op het zenuwstelsel, het hart en de hersenen. Hoe vaker men oefent met deze diepe buikademhaling, des te beter men in het lichaam komt te zitten. Tot het een gewoonte wordt.

Faalangstigen hebben een minder goed contact met hun lichaam. Ook werken de twee hersenhelften minder goed samen. Vrijwel altijd hebben ze opvallend koude voeten, die vaak zweten een teken dat het lichaam niet goed functioneert. Door spanning en stress gaan de darmen meestal ook minder goed werken, waardoor deze minder goed in staat zijn vitaminen en mineralen uit het voedsel op te nemen, waardoor ook minder stoffen beschikbaar zijn voor de organen in het lichaam en voor de hersenen, waardoor deze minder goed functioneren. Dit is misschien de oorzaak dat faalangstige mensen vaker ziek zijn dan het gemiddelde van andere mensen.

Normaal spant men de spieren alleen als men lichamelijke activiteit moet verrichten, daarna zou men ze weer moeten ontspannen. Spieren die constant gespannen zijn, betekenen een onnodig energieverlies, waardoor men moe wordt, terwijl men lichamelijk weinig of niets doet. Daarom is het belangrijk dat men eraan werkt de spieren te ontspannen, via ontspanningsoefeningen, massage, meditatie etc. Door bovengenoemde oefeningen is het mogelijk de spieren te doen ontspannen en daarmee alle organen beter te doen functioneren. Daardoor voelt men zich ook fitter worden en krijgt men beter contact met het lichaam, waardoor men zich meer verankerd voelt in het eigen lijf, wat een positief effect heeft op. Faalangst en zelfvertrouwen. Ook wordt men rustiger, gaan de hersenen meer langzame hersengolven produceren en kan men zich beter concentreren.

Mensen met faalangst kunnen niet goed denken en hun geheugen functioneert minder goed, met als gevolg dat zij, bijvoorbeeld tijdens een tentamen of examen, veel zaken niet weten, die wel bekend zijn als men ontspannen is, bijvoorbeeld vlak na het proefwerk, tentamen of examen. Door je te ontspannen, langzaam in- en uit ademen, kun je daar veel aan doen.

Mensen die een examen moeten doen kunnen onderstaande oefening toepassen;
als eerste , goed ontspannen, door alle delen van het lichaam te voelen, en zich voor te stellen dat de spanning uit de vingertoppen en de voetzolen 

 

Ortho Pedagogisch Didactisch Centrum  Zuidoost Drenthe  2010   |   Disclaimer