|
1. Omschrijving
Van dyslexie is sprake wanneer een leerling niet of moeizaam leert
lezen en spellen terwijl er geen duidelijke verklaring voorhanden is.
Hij/zij maakt een pientere indruk, gaat naar een goede school, kan goed
zien enz. Er hapert dus iets in de leerling waardoor hij moeite heeft
met lezen en spellen zonder
dat duidelijk is waar die hapering precies vandaan komt. Ongeveer 5% van
de kinderen (meer jongens dan meisjes) is dyslectisch.
Dyslexie
gaat vaak samen met dysorthografie (spellingstoornis). Er is
slechts een klein verschil. Bij dysorthografie kan zwakte op het gebied
van de handmotoriek en de visuo-motoriek de spellingmoeilijkheden
versterken, bij dyslexie vrijwel niet.
2. Criteria Er is reeds veel onderzoek gedaan naar de oorzaak van dyslexie en
dysorthografie. Niettemin is nog niet volledig duidelijk hoe dyslexie
precies ontstaat. Wel zijn er sterke vermoedens. Verondersteld wordt dat
er bij veel dyslectici iets hapert op het gebied van de taalverwerving.
Dat betekent echter niet dat bij een dyslectische leerling de
taalontwikkeling over de volle breedte problematisch verloopt. Het
taalbegrip kan bijvoorbeeld volledig in orde zijn. Ook het begrijpend
lezen kan als goed naar voren komen.
Bij het
vaststellen of er sprake is van dyslexie wordt er in veel gevallen
gebruik gemaakt van onderstaande criteria:
-
De
achterstand met lezen en spellen is 1 a 2 jaar. Met (het merendeel
van) de andere vakken heeft de leerling geen problemen.
-
Er is
sprake van tenminste gemiddelde intelligentie. Het komt bij
dyslectici nogal eens voor dat de begaafdheid op onderdelen ongelijk
verdeeld is: goede visuo-ruimtelijke capaciteiten en matige tot
zwakke auditief-temporele capaciteiten.
-
Andere
stoornissen zijn afwezig.
-
Er is
sprake van vertraagde taalontwikkeling/ vertraagde taalvaardigheid.
De laatste jaren betwijfelen deskundigen echter of er bij dyslectici
altijd sprake is van problemen over het gehele gebied van de
taalverwerving. Geconcludeerd wordt dat in een aantal gevallen deze problemen zich alleen voordoen t.a.v.
het snel en geautomatiseerd verwerken van fonologische informatie.
-
Er zijn
aanwijzingen voor familiaire erfelijkheid.
3.
De eerste verschijnselen Dyslexie openbaart zich meestal voor het eerst bij een kind, nadat
het drie tot vier maanden leesonderwijs heeft gehad. Het blijkt moeite
te hebben met het onthouden van de letters en/of met het samenvoegen van
spraakklanken tot woorden (en ook omgekeerd met het snel ontbinden van
een gesproken woord in spraakklanken). Op het gebied van het inzicht
heeft het geen problemen, het begrijpt een voorgelezen verhaal, komt met
rekenen goed mee, legt moeiteloos legpuzzels en dergelijke. Alleen het
lezen blijft achter.
4.
Onderkenning in de brugklas. Het komt nogal eens voor dat dyslexie zich pas openbaart als een
leerling in de brugklas zit. Vooral bij leerlingen die in lichte mate
dyslectisch zijn en verstandelijk over bovengemiddelde mogelijkheden
beschikken is dat nogal eens het geval. Docenten van het voortgezet
onderwijs vragen zich dan ook nogal eens af of het basisonderwijs
dergelijke leerlingen wel voldoende (remediërend) heeft begeleid.
Binnen het
basisonderwijs wordt bij de beslissing welke leerlingen in aanmerking
komen voor remediërende hulp veelal het 25% criterium aangehouden.
Leerlingen die boven dit criterium presteren krijgen geen speciale
hulp. Een pientere dyslectische leerling die met lezen en spellen net
boven dit criterium presteert, krijgt dus geen remediërende
leesbegeleiding. In de brugklas, bijvoorbeeld de brugklas tl-havo, behoort hij echter wat lezen en spellen betreft niet
meer tot de matige, maar tot de zwakke leerlingen. De lees- en
spellingleerstof is moeilijker en daardoor wordt zijn lees- en
spellingvaardigheid zwaarder belast.
Het verdient
dan ook aanbeveling dat het basisonderwijs bij het toekennen van
remedial teaching naast het klassikale 25% criterium (of iets lager) nog
een ander criterium hanteert. Dit criterium heeft betrekking op het
individuele kind: is er bij een leerling sprake van een opvallend
verschil tussen zijn
lees/spellingvaardigheid (matig)
en zijn overige leervorderingen (ruim voldoende tot goed) dan komt ook
hij in aanmerking voor remedial teaching op het gebied van lezen en
spellen.
Het komt ook voor dat de
leesproblemen van een leerling in de hogere leerjaren van de basisschool
als overwonnen werden beschouwd. In bijvoorbeeld de groepen drie, vier
en vijf heeft hij veel remediërende hulp gehad met als gevolg dat zijn
leesproblemen duidelijk afnamen. Zelfs in die mate dat er geen extra
begeleiding meer nodig werd geacht. Aangekomen in brugklas steken echter
de oude problemen de kop weer op.
5.
Het succes van de behandeling. Dyslexie is niet volledig te verhelpen. Wel kunnen de problemen door
middel van remedial teaching worden afgezwakt, zo zelfs dat een leerling
er tijdens zijn verdere schoolloopbaan geen last meer van heeft. Het
effect van de extra leeshulp hangt grotendeels af van: a. de kwaliteit van de hulp: b. de tijd die beschikbaar is en c. de motivatie, het doorzettingsvermogen en zelfvertrouwen van de
leerling.
Veel
dyslectische leerlingen zijn aangewezen op remedial teaching op school
en eventueel thuis. Wat het laatste betreft, belangrijk is dat de
leerling daartoe gemotiveerd is en ook dat die hulp in een ontspannen
sfeer kan worden gegeven. Lukt dat niet, dan kunnen de gevolgen juist
nadelig zijn. overleg tussen ouders en school over of en zo la hoe er
thuis hulp kan worden geboden is dus gewenst.
Dyslexie
onderzoek op het OPDC.
De
aanmelding. Alvorens een onderzoek kan worden samengesteld dat geïndividualiseerd
is op een bepaald kind hebben wij gedetailleerde informatie nodig over
de medische-, psychologische- en schoolontwikkeling. Daarvoor wordt een
aanmeldingsformulier verstuurd, dat de ouder samen met de leerkracht kan
invullen. Op basis van de gegevens uit het aanmeldingsformulier wordt
bepaald wat de daadwerkelijke inhoud moet zijn van het onderzoek en
wordt de vraagstelling bepaald.
Het
intelligentie-onderzoek. Het is van belang te weten of we te maken hebben met een kind dat
tenminste een gemiddelde intelligentie heeft. Bij de meeste kinderen met
dyslexie is vastgesteld dat een specifiek en onverwacht lees- of
spellingprobleem niet aansluit bij het intelligentieniveau; je zou
verwachten dat een kind met een gemiddeld intelligentieniveau tenminste
op gemiddeld niveau leest en spelt. Bovendien geeft een zorgvuldige
analyse van de aspecten van de intelligentie van het kind een beeld van
de verstandelijke mogelijkheden en beperkingen van het kind.
Het
orthodidactisch onderzoek. Dit deel van het onderzoek richt zich op de taalvaardigheid –en
taalinzichtontwikkeling en omvat technisch lezen, tekstbegrip, de
spelling van onveranderlijke woorden en de spelling van werkwoorden. Het
onderzoek beperkt zich niet tot het vaststellen van de leervorderingen,
het richt zich in het bijzonder op het in kaart brengen van de hiaten en
blokkades in de verwerving van taal. Eveneens wordt geprobeerd een beeld
te krijgen van de leerstrategieën die een kind hanteert bij de
uitvoering van taaltaken. Er wordt onderzocht welke taakelementen
belemmerend of juist ondersteunend werken en welke onderliggende
vaardigheden zwak(ker)ontwikkeld zijn. Ook wordt gekeken hoeveel van het
aangeboden onderwijs (de leerstof) het kind efficiënt kan toepassen, in
vergelijking met leeftijdgenoten met dezelfde jaren gevolgd onderwijs.
Het onderzoek wordt in twee dagdelen uitgevoerd.
Brochure dyslexie
Het OPDC heeft voor de hulpmiddelen met betrekking tot dyslexie een
speciale brochure samengesteld met daarin vele tips.
|