Dyslexie

Voorwoord

Dyslexie is een veelgehoorde “kreet” als leerlingen lees- en spellingproblemen hebben.  Het is moeilijk vast te stellen wanneer je kunt spreken van dyslexie. We proberen daar iets nader op in te gaan. In onderstaande is onder andere gebruikt gemaakt van het werk van Henk van Goor.


1. Omschrijving
Van dyslexie is sprake wanneer een leerling niet of moeizaam leert lezen en spellen terwijl er geen duidelijke verklaring voorhanden is. Hij/zij maakt een pientere indruk, gaat naar een goede school, kan goed zien enz. Er hapert dus iets in de leerling waardoor hij moeite heeft met lezen en spellen  zonder dat duidelijk is waar die hapering precies vandaan komt. Ongeveer 5% van de kinderen (meer jongens dan meisjes) is dyslectisch.

Dyslexie  gaat vaak samen met dysorthografie (spellingstoornis). Er is slechts een klein verschil. Bij dysorthografie kan zwakte op het gebied van de handmotoriek en de visuo-motoriek de spellingmoeilijkheden versterken, bij dyslexie vrijwel niet.
 
2. Criteria
Er is reeds veel onderzoek gedaan naar de oorzaak van dyslexie en dysorthografie. Niettemin is nog niet volledig duidelijk hoe dyslexie precies ontstaat. Wel zijn er sterke vermoedens. Verondersteld wordt dat er bij veel dyslectici iets hapert op het gebied van de taalverwerving. Dat betekent echter niet dat bij een dyslectische leerling de taalontwikkeling over de volle breedte problematisch verloopt. Het taalbegrip kan bijvoorbeeld volledig in orde zijn. Ook het begrijpend lezen kan als goed naar voren komen.

Bij het vaststellen of er sprake is van dyslexie wordt er in veel gevallen gebruik gemaakt van onderstaande criteria:

  • De achterstand met lezen en spellen is 1 a 2 jaar. Met (het merendeel van) de andere vakken heeft de leerling geen problemen.

  • Er is sprake van tenminste gemiddelde intelligentie. Het komt bij dyslectici nogal eens voor dat de begaafdheid op onderdelen ongelijk verdeeld is: goede visuo-ruimtelijke capaciteiten en matige tot zwakke auditief-temporele capaciteiten.

  • Andere stoornissen zijn afwezig.

  • Er is sprake van vertraagde taalontwikkeling/ vertraagde taalvaardigheid. De laatste jaren betwijfelen deskundigen echter of er bij dyslectici altijd sprake is van problemen over het gehele gebied van de taalverwerving. Geconcludeerd wordt dat in een  aantal gevallen deze problemen zich alleen voordoen t.a.v. het snel en geautomatiseerd verwerken van fonologische informatie.

  • Er zijn aanwijzingen voor familiaire erfelijkheid.

3. De  eerste verschijnselen
Dyslexie openbaart zich meestal voor het eerst bij een kind, nadat het drie tot vier maanden leesonderwijs heeft gehad. Het blijkt moeite te hebben met het onthouden van de letters en/of met het samenvoegen van spraakklanken tot woorden (en ook omgekeerd met het snel ontbinden van een gesproken woord in spraakklanken). Op het gebied van het inzicht heeft het geen problemen, het begrijpt een voorgelezen verhaal, komt met rekenen goed mee, legt moeiteloos legpuzzels en dergelijke. Alleen het lezen blijft achter.

4. Onderkenning in de brugklas.
Het komt nogal eens voor dat dyslexie zich pas openbaart als een leerling in de brugklas zit. Vooral bij leerlingen die in lichte mate dyslectisch zijn en verstandelijk over bovengemiddelde mogelijkheden beschikken is dat nogal eens het geval. Docenten van het voortgezet onderwijs vragen zich dan ook nogal eens af of het basisonderwijs dergelijke leerlingen wel voldoende (reme­diërend) heeft begeleid.

Binnen het basisonderwijs wordt bij de beslissing welke leerlingen in aanmerking komen voor remediërende hulp veelal het 25% criterium aangehouden. Leerlingen die boven dit criterium pres­teren krijgen geen speciale hulp. Een pientere dyslectische leerling die met lezen en spellen net boven dit criterium pres­teert, krijgt dus geen remediërende leesbegeleiding. In de brugklas, bijvoorbeeld de brugklas tl-havo, behoort hij echter wat lezen en spellen betreft niet meer tot de matige, maar tot de zwakke leerlingen. De lees- en spellingleerstof is moeilijker en daardoor wordt zijn lees- en spellingvaardigheid zwaarder belast.

Het verdient dan ook aanbeveling dat het basisonderwijs bij het toekennen van remedial teaching naast het klassikale 25% criterium (of iets lager) nog een ander criterium hanteert. Dit criterium heeft betrekking op het individuele kind: is er bij een leerling sprake van een opvallend verschil tussen zijn lees/spellingvaardigheid (matig) en zijn overige leervorderingen (ruim voldoende tot goed) dan komt ook hij in aanmerking voor remedial teaching op het gebied van lezen en spellen.

Het komt ook voor dat de leesproblemen van een leerling in de hogere leerjaren van de basisschool als overwonnen werden be­schouwd. In bijvoorbeeld de groepen drie, vier en vijf heeft  hij veel remediërende hulp gehad met als gevolg dat zijn leesproblemen duidelijk afnamen. Zelfs in die mate dat er geen extra begeleiding meer nodig werd geacht. Aangekomen in brugklas steken echter de oude problemen de kop weer op.

5. Het succes van de behandeling.
Dyslexie is niet volledig te verhelpen. Wel kunnen de problemen door middel van remedial teaching worden afgezwakt, zo zelfs dat een leerling er tijdens zijn verdere schoolloopbaan geen last meer van heeft. Het effect van de extra leeshulp hangt groten­deels af van:
a.   de kwaliteit van de hulp:
b.   de tijd die beschikbaar is en
c.   de motivatie, het doorzettingsvermogen en zelfvertrouwen van de leerling.

Veel dyslectische leerlingen zijn aangewezen op remedial tea­ching op school en eventueel thuis. Wat het laatste betreft, belangrijk is dat de leerling daartoe gemotiveerd is en ook dat die hulp in een ontspannen sfeer kan worden gegeven. Lukt dat niet, dan kunnen de gevolgen juist nadelig zijn. overleg tussen ouders en school over of en zo la hoe er thuis hulp kan worden geboden is dus gewenst.

Dyslexie onderzoek op het OPDC.

De aanmelding
Alvorens een onderzoek kan worden samengesteld dat geïndividualiseerd is op een bepaald kind hebben wij gedetailleerde informatie nodig over de medische-, psychologische- en schoolontwikkeling. Daarvoor wordt een aanmeldingsformulier verstuurd, dat de ouder samen met de leerkracht kan invullen. Op basis van de gegevens uit het aanmeldingsformulier wordt bepaald wat de daadwerkelijke inhoud moet zijn van het onderzoek en wordt de vraagstelling bepaald.

Het intelligentie-onderzoek.
Het is van belang te weten of we te maken hebben met een kind dat tenminste een gemiddelde intelligentie heeft. Bij de meeste kinderen met dyslexie is vastgesteld dat een specifiek en onverwacht lees- of spellingprobleem niet aansluit bij het intelligentieniveau; je zou verwachten dat een kind met een gemiddeld intelligentieniveau tenminste op gemiddeld niveau leest en spelt. Bovendien geeft een zorgvuldige analyse van de aspecten van de intelligentie van het kind een beeld van de verstandelijke mogelijkheden en beperkingen van het kind.

Het orthodidactisch onderzoek
Dit deel van het onderzoek richt zich op de taalvaardigheid –en taalinzichtontwikkeling en omvat technisch lezen, tekstbegrip, de spelling van onveranderlijke woorden en de spelling van werkwoorden. Het onderzoek beperkt zich niet tot het vaststellen van de leervorderingen, het richt zich in het bijzonder op het in kaart brengen van de hiaten en blokkades in de verwerving van taal. Eveneens wordt geprobeerd een beeld te krijgen van de leerstrategieën die een kind hanteert bij de uitvoering van taaltaken. Er wordt onderzocht welke taakelementen belemmerend of juist ondersteunend werken en welke onderliggende vaardigheden zwak(ker)ontwikkeld zijn. Ook wordt gekeken hoeveel van het aangeboden onderwijs (de leerstof) het kind efficiënt kan toepassen, in vergelijking met leeftijdgenoten met dezelfde jaren gevolgd onderwijs.

Het onderzoek wordt in twee dagdelen uitgevoerd.

Brochure dyslexie
Het OPDC heeft voor de hulpmiddelen met betrekking tot dyslexie een speciale brochure samengesteld met daarin vele tips.


Ortho Pedagogisch Didactisch Centrum  Zuidoost Drenthe  2010   |   Disclaimer