Inleiding
Wat is concentratie?
Soorten concentratie Concentratiemoeilijkheden
Concent. belemmeringen
Concentratiestoornissen
Aanpak
Concentratieoefeningen
Conclusie

Literatuur

Concentratie
problemen


Inleiding

Een veel gehoorde klacht van leerkrachten is tegenwoordig, dat de kinderen steeds meer moeite hebben met zich goed te concentreren.
Gezien de toename van leerlingen met problemen en ook gezien het feit dat deze klacht zeer algemeen geuit wordt, moet die toch serieus genomen worden.

"Kunnen de kinderen van tegenwoordig zich minder goed concentreren?"

Voor  deze vraag te  beantwoorden zal  in deze pagina worden ingegaan op wat nu precies concentratie, concentratiemoeilijkheden en concentratiestoornissen zijn.

Terug naar begin van deze pagina.

Wat is concentratie?
Concentratie geeft aan hoe lang en hoe intensief iemand zijn aandacht op iets kan vestigen. Bij concentratie wordt een relatie gelegd tussen de aandacht en de leerstof.

Het kind wil bepaalde leerstof tot zich nemen en daarvoor moet het wel zijn aandacht op die leerstof richten en vasthouden tot het die leerstof in zich opgenomen heeft.

Terug naar begin van deze pagina.

Soorten concentratie
Wanneer een kind een taak moet gaan uitvoeren zal het zich dus op die taak moeten concentreren. Voor elke taak heeft een kind een ander soort concentratie nodig.

Bij het aanvankelijk lezen is het belangrijk dat de leerling let op kleine verschillen bij de tekens, terwijl een dergelijke vorm van concentratie bij begrijpend lezen leidt tot zeer moeizame prestaties.

Zo heeft van Neer in zijn boek "Concentratie op school" verschillende vormen van concentratie onderscheiden:

  • Naar omvang van de aandachtsinhoud: 
    type met smalle aandachtsomgeving en type met brede aandachtsomgeving.
  • Naar deel-geheel-gerichtheid: 
    type met detailgerichte aandacht en type met globale aandacht.
  • Naar nauwkeurigheid: 
    type met secure, diepgaande aandacht en type met oppervlakkige aandacht.
  • Naar beweeglijkheid: 
    type met fixerende aandacht (stilstaand, op een vast punt gericht) en type met fluctuerende aandacht (beweeglijk, zich in het rond verspreidend.)
  • Naar intensiteit: 
    type met veel, sterke aandacht en type met weinig, zwakke aandacht.
  • Naar duur: 
    type met langdurige aandacht en type met kortdurende aandacht.
  • Naar gelijkmatigheid: 
    type met stabiele, evenwichtige aandacht en type met labiele, wisselende aandacht, ups en downs.
  • Naar activiteit: 
    type met actieve aandacht, bij zelf (ver) werken en type met passieve aandacht, het aangebodene opnemend.
  • Naar informatie opneemkanaal: 
    visueel aandachtstype, auditief aandachtstype en tactiel-motorische aandachtstype.

Elke taak doet een beroep op een of meer vormen van concentratie. Een kind dat op een gewone manier gestimuleerd is, heeft spelenderwijs alle vormen van concentratie ontwikkeld. Al naar gelang de eisen van de taak, schakelt het kind vanzelf over op de goede vorm van concentratie. Nu is er sprake van concentratiemoeilijkheden als de leerling voor een bepaalde taak een verkeerde concentratievorm aanwendt. Het kan zijn dat de leerling de goede vorm niet ontwikkeld heeft of om een bepaalde reden de goede vorm niet kan gebruiken. Het is wel zo dat bepaalde vormen van concentratie bij een kind beter ontwikkeld zijn dan andere vormen. Elk kind heeft een bepaalde voorkeur voor vormen van concentratie. Het uitvoeren van een taak, die past bij het kind, kost weinig energie. De voorkeur die een kind heeft wordt cognitieve stijl of leerstijl genoemd. Wanneer een leerling een taak moet uitvoeren die niet past bij zijn cognitieve leerstijl, zal zijn concentratievermogen eerder op zijn. De leerling zal dan meer fouten of minder werk gaan maken.

Terug naar begin van deze pagina.

Concentratiemoeilijkheden
Er is sprake van concentratiemoeilijkheden indien de leerling zijn aandacht niet goed, niet lang of niet intensief genoeg op een bepaalde prikkel kan richten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiebelemmeringen en concentratiestoornissen.

Bij concentratiebelemmeringen is bij het kind de voor de taak geschikte concentratie ontwikkeld, maar om wat voor reden dan ook is hij niet in staat die vorm van concentratie aan te wenden.

Bij concentratiestoornissen is de voor die taak benodigde vorm van concentratie niet goed ontwikkeld. De leerling gebruikt een voor die taak verkeerde vorm van concentratie. Hij kan niet omschakelen naar de goede vorm van concentratie.

Terug naar begin van deze pagina.

Concentratiebelemmeringen
Voordat men de diagnose concentratiestoornissen kan stellen, zal de leerkracht eerst moeten nagaan of er sprake is van concentratiebelemmeringen.

Hij moet op zoek naar factoren die de concentratie van het kind negatief beïnvloeden.

De factoren kunnen liggen bij:

  1. De leerkracht
  2. De leerling
  3. De leerstof
  4. De omgeving

Ad. 1. De leerkracht;

De leerkracht kan het gemakkelijkst eerst zijn eigen rol onder de loep nemen. De leerkracht kan natuurlijk de "schuld" van de slechte concentratie bij een kind neerleggen, maar dat is niet altijd even eerlijk.

De leerkracht kan letten op:

  • Zijn manier van lesgeven wekt weinig belangstelling, weinig voorbereiding, chaotisch, eenzijdig;
  • De manier waarop hij beloont en vooral straft, is storend. De leerkracht waarschuwt voortdurend en op harde wijze sommige leerlingen. Dat voortdurend waarschuwen zorgt ervoor dat ook andere kinderen uit hun concentratie gehaald worden;
  • Hij stelt te hoge eisen aan de kinderen. De taken die de leerlingen krijgen zijn veel te groot en te moeilijk.De leerlingen kunnen hun concentratie daarom niet vasthouden.

Ad. 2. De leerling;

De leerling is in principe wel in staat tot een goede concentratie, maar niet op het moment:

  • Ziekte: De leerling is gewoon niet gezond (al of niet tijdelijk). Een kind is dan vaak eerder moe.
  • Emotionele problemen: Een kind dat piekert over zijn thuissituaties of zijn relatie met zijn klasgenoten. Een kind dat piekert, kan niet ook aan zijn werk denken.
  • Faalangst: Het kind concentreert zich meer op wat fout kan gaan, dan wat hij moet doen.

Ad. 3. De leerstof;

De leerkracht kan de manier waarop de leerstof geordend is onderzoeken:

  • Te saai, alleen maar tekst;
  • Te druk, veel plaatjes, veel verschillende tekstletters, plaatjes door de tekst heen.

Ad. 4. De omgeving;

In de omgeving kunnen veel afleidende prikkels zijn:

  • Lawaai in de klas, in de school. Niet alle lawaai is te vermijden. Een leerkracht die een kind extra instructie geeft, maakt geluid dat voor een ander kind natuurlijk wel hinderlijk kan zijn. Ook hoestende, lopende kinderen storen. Deze bronnen van lawaai zijn niet te vermijden. Zij horen bij een klas met lerende kinderen: leerruis. Aan deze vorm van lawaai zal een kind moeten wennen. Deze prikkels moet het kind eigenlijk niet selecteren. Zodra de "leerruis" te veel of te hard wordt, wordt het lawaai storend en een bron van concentratiemoeilijkheden.
  • De werkruimte. Indien in een klas veel kinderen zitten met concentratieproblemen is een onderzoek naar belemmerende factoren in de klas noodzakelijk, bv.:
  • Plaats in de klas. Veel kinderen met concentratieproblemen zitten om de tafel van de leerkracht. Vaak is dat een zeer druk plekje in de klas. Ook vlak naast of onder het bord is vaak een moeilijk plekje. Een kind hoort dan veel, maar ziet niets.
  • Hoeveelheid spulletjes op de tafel van een kind.
  • Verlichting in de klas.
  • Temperatuur in de klas: Bij een te hoge temperatuur daalt het concentratievermogen (20 graden is normaal.)
  • Ventilatie: Zorg steeds voor voldoende ventilatie bij elk type weer. De ventilatie deugt niet indien de ramen gaan beslaan. Er moet in de klas steeds een raam open zijn.

Terug naar begin van deze pagina.

Concentratiestoornissen
Bij een concentratiebelemmering bezit de leerling de voor de taak vereiste concentratievorm wel, maar kan die op dat moment om wat voor reden niet goed gebruiken.

Bij een concentratiestoornis is de vereiste vorm van concentratie niet goed ontwikkeld. De leerling is daarom niet in staat zich op de juiste manier te concentreren.

De concentratiestoornissen zijn in drie groepen te verdelen:

  1. onvoldoende aandachtsduur;
  2. afleidbaarheid;
  3. inefficiënt werken.

Ad. 1. Onvoldoende aandachtsduur; 

Veel leerkrachten klagen er regelmatig over, dat leerlingen zich zo kort kunnen concentreren. De vraag is dan direct: wat is een normale aandachtsduur of spanningsboog? Bij de beantwoording van deze vraag wordt onderscheid gemaakt tussen vrijwillige en gedwongen concentratie. Onder vrijwillige concentratie wordt verstaan een door het kind zelfgekozen activiteit. Een kind kan zich dan zeer lang concentreren.
Onder gedwongen concentratie wordt verstaan de concentratie die nodig is om door de leerkracht opgedragen taak te volbrengen. Deze concentratieduur is korter en is afhankelijk van de leeftijd van het kind:

  • 6 jaar: 10 minuten
  • 10 jaar: 20 minuten
  • 13 jaar: 30 minuten

Voor een "normaal" kind betekenen deze tijden dat hij gedurende die periode weinig vatbaar is voor andere prikkels. Pas tegen het eind van die periode wordt de concentratie op het werk minder en kunnen andere prikkels belangrijker worden. Het verschil in duur tussen vrijwillige en gedwongen concentratie is regelmatig de reden waarom ouders vaak niet begrijpen dat de leerkracht klaagt over de concentratie van hun kind ("hij kan uren met lego spelen.")

Ad. 2. Afleidbaarheid; 
Er is sprake van dat de leerling voortdurend reageert op allerlei prikkels. In tegenstelling tot de kinderen met een korte spanningsboog zijn deze kinderen gedurende de gehele taak vatbaar voor andere prikkels.

Ad. 3. Inefficiënt werken; 
Wat is efficiënt werken?

Een kind dat efficiënt werkt:
  • Weet het einddoel van de taak;
  • Houdt tijdens het werken het doel voor ogen;
  • Zoekt of kent de beste middelen om het doel te bereiken;
  • Werkt in een evenwichtig tempo volgens plan, dus niet lukraak;
  • Controleert na afloop zijn werk.

Er wordt van inefficiënt werken gesproken indien de leerling niet de juiste concentratievorm vindt. Hij gebruikt ongeacht de taakstatus dezelfde concentratievorm. Deze kan zijn:

  • Te snel, oppervlakkig, globaal, chaotisch; Een kind dat snel werkt, walst vaak over de problemen heen, ziet geen problemen, slaat tussenstappen over. Het werk kenmerkt zich door voortdurende slordigheidsfouten.
  • Te langzaam, secuur, detaillistisch, onpraktisch; Zo’n kind denkt bij elke stap na, controleert voortdurend zichzelf, maakt onnodige tussenstappen.

Terug naar begin van deze pagina.

Aanpak concentratieproblemen
Het werken met kinderen met concentratiestoornissen in de klas is moeilijk. Voortdurend presteert de leerling onder zijn vermogen. Bij de omgang met een dergelijk leerling moet de leerkracht de goede concentratievorm vinden.

Dit betekent:

  • Ga uit van de beginsituatie; Probeer de werkhouding in kaart te brengen, d.m.v. een tijdsteekproef.
  • Toon geduld bij het aanleren van een nieuwe concentratievorm.
  • Mopper niet voortdurend op het kind indien het kind niet goed werkt. Het kind moet plezier houden in werken. Een leerkracht die het kind op negatieve wijze onder druk houdt, zorgt ervoor dat het kind er nog een probleem bij krijgt; een storende, onaardige leerkracht.
  • Zorg ervoor dat het kind didactisch niet te ver achter raakt.
  • Let sterk op allerlei afleidende prikkels in de klas en op de tafel voor het kind. Deze prikkels maken het voor toch al concentratiezwak kind, onnodig moeilijk.
  • Werk bij het lesgeven met regelmatige herhalingen en geheugensteuntjes.

Terug naar begin van deze pagina.

Concentratieoefeningen
Bij de hulpverlening wordt gauw gevraagd naar specifieke concentratieoefeningen. Dit zijn vaak speelse activiteiten. De waarde van aparte oefeningen is vaak beperkt. Concentratieoefeningen moeten zo dicht mogelijk aansluiten bij het werk in de klas.

Gedragsmodificatie:
Door middel van zeer gerichte beloningssystemen wordt geprobeerd de concentratie stap voor stap te verbeteren. Na de beginsituatie in kaart gebracht te hebben wordt een stappenplan opgesteld. Steeds wordt een iets betere werkhouding beloond. Beloningen kunnen gegeven worden als het kind doorwerkt of meer en beter presteert.

Cognitieve gedragsmodificatie:
Doel bij zulke programma’s is niet dat er een betere gedragsgewoonte ontstaat, maar dat het kind ook inzicht krijgt in zijn verbeterde werkhouding. De leerling leert zich bewust te worden van het cognitieve proces dat leidt tot die gedragsverandering. Meestal gebeurt dit door de leerlingen eerst de handelingen hardop te laten verwoorden.Vaak wordt gewerkt met proceskaartjes, waarop de goede werkhouding beschreven staat. Na elke handeling pakt de leerling het volgende kaartje. Zo wordt de leerling bewust van de handelingen. Deze vorm van hulp is sterk aan te bevelen.

Terug naar begin van deze pagina.

Conclusie
Het antwoord op de vraag aan het begin van deze pagina  is moeilijk te geven.

Enkele punten:

  • Gewezen wordt dan op een toename van het aantal kinderen met concentratiebelemmering. Problematiek in veel gezinnen kan de aandacht van het kind voor het werk afleiden. Het kind is met andere problemen bezig.
  • Ook wordt genoemd dat het kind aan veel meer prikkels blootstaat dan vroeger. Er is veel meer geluid, verkeer, mensen enz. Het selecteren van prikkels is veel moeilijker geworden dan vroeger.
  • Ook wordt discussie gevoerd dat kinderen in deze maatschappij een cognitieve stijl ontwikkelen die niet past bij het onderwijs (slechte luisterhouding, passieve concentratie T.V. kijken.)

Terug naar begin van deze pagina.

Literatuur - bron

Ortho Pedagogisch Didactisch Centrum  Zuidoost Drenthe  2010   |   Disclaimer