Communicatie met pubers

 

Communicatie met pubers

In gesprek komen met pubers en adolescenten, hoe doe je dat? Martine F. Delfors geeft handvatten in communicatie, opvoeding van pubers en adolescenten. Een hulpmiddel om de leefwereld van pubers te begrijpen.

Pubers willen hun hersens gebruiken, volwassenen zijn bang dat ze het niet doen. Leerlingen zien hun leraar eerst als mens die voor hen van betekenis is. Om goed op te voeden en goed de puberteit door te komen is communicatie belangrijk. Wanneer iemand een probleem heeft met sociale communicatie over en weer, zoals het geval is bij autisme, dan is het maken van contact en het onderhouden ervan plotseling heel moeilijk.

De puberteit wordt gekenmerkt door een toename van probleemgedrag. Dit hangt samen met een toename van zelfstandigheid, met de behoefte te onderzoeken en met de behoefte te experimenteren waardoor alcohol en drugs een probleem kunnen gaan vormen.

 
De opvoeding in de puberteit speelt een belangrijke rol, het moet aansluiten bij de puberteit, overleg en gelijkwaardigheid is waar een puber naar streeft. In de wijze van communiceren tussen volwassene en kind bestaan verschillen. Jongens zijn veel actiever in het onderhandelen met volwassenen en bieden veel vaker dan meisjes bondgenootschappen aan. Maar welke opvoedingsstijl gehanteerd wordt, conflicten kunnen niet worden vermeden. Jongeren en volwassenen kunnen ernstig in conflict komen, er kan een generatiekloof ontstaan. De meningsverschillen tussen volwassenen en jongeren gaan over niet- basale zaken; jongeren houden vaak dezelfde waarden aan als volwassenen, voornamelijk hun ouders. Slechts in een minderheid van de gezinnen zijn conflicten ernstig. Niemand mag als het ware kritiek hebben op de ouders, alleen de puber zelf. Volwassenen proberen puberteitsproblemen het hoofd te bieden door afspraken te maken. Wat veel volwassenen vaak niet in de gaten hebben is dat het geen afspraken zijn, maar eenzijdig opgelegde eisen die verpakt zijn in een democratisch jasje. Vragen of er iemand het er mee eens is, maakt een regel nog niet tot een wederzijdse afspraak. Op dergelijke vragen dreigen jongeren ja te antwoorden om snel van het gezeur af te zijn. Ze moeten betrokken worden in de afspraak en de afspraak moet wederzijdse wensen omvatten om de jongere te motiveren en het tot enkele echte afspraken te maken. In feite gaat het om het opleggen van een regel. Het gebrek aan wederzijdsheid die de jongere ervaart terwijl gesuggereerd wordt dat het niet zo is, lost hij vaak op door toch uiteindelijk zelf te doen wat hij zelf wil. Als volwassenen een afspraak willen maken, moet dit een wederzijdse afspraak zijn, waar beide partijen helemaal achter staan en niet een vermomde regel die opgelegd wordt. Bij een wederzijdse afspraak is het ook verstandig om beide partijen zich in te laten zetten, niet alleen de jongere, maar ook de volwassene. Dit wordt mogelijk door beide partijen iets te laten doen wat een inspanning naar de ander kost. Tijdens de puberteit is het een zoeken naar balans van afspraken maken en regels hanteren. Het maken van wederzijdse afspraken is het te verkiezen boven uitsluitend regels gedurende puberteit, maar vergt meer inzet van volwassene en jongere om tot ween wederzijdse afspraak te komen. Toch moeten de volwassene de teugels kunnen laten vieren. De puber wil zelf verantwoordelijkheid dragen voor een situatie en eigen beslissingen nemen.

Een onderwerp dat voor veel conflicten zorgt tussen volwassenen en jongeren is het maken van huiswerk. Jongeren hebben steun (samen doen, helpen), stimulans en grenzen nodig om deze taak te volbrengen. Stimuleer de jongere om systeem te ontwikkelen en ook klasgenoten te vragen naar hun systemen. Maar heb ook begrip voor het nooit eindigende verhaal van een verplichting te hebben die je als een hete adem in je nek voelt.

Het opleggen van een regel is op zich een uitstekende opvoedkundige activiteit; het biedt duidelijkheid en veiligheid. De regel moet dan wel realistisch zijn en opvoedend naar de jongere toe en niet straffend en het moet vooral duidelijk zijn dat het een regel is en niet vermomd als afspraak gepresenteerd worden. Het is ook belangrijk dat in de regel de thuissituatie betrokken is, omdat de jongere vaak de gevolgen van haar of haar gedrag over het hoofd ziet, kan gevolgen hebben voor de thuissituatie. Bij het opleggen van een regel is het gebruikelijk dat de jongere protesteert, maar het protest betekent niet dat de jongere de regel niet zal respecteren.

Voor volwassene is het vaak schrikken als de jongere protesteert. De volwassene verwacht dat de regel niet gehanteerd zal worden, maar observatie leert dat de jongere de regel meestal toch wel volgt. Rustig aan de regel vasthouden maar openstaan voor eventuele realistische argumenten op grond waarvan een redelijk geachte regel onredelijk blijkt te zijn, helpt volwassen en jongere door de puberteit heen!

Pubers zijn het aan hun eergevoel verplicht om een regel alleen te hanteren als ze er de reden voor kennen en liefst de reden kunnen accepteren. Dat laatste is beslist niet altijd nodig. Een puber kan er vrede mee hebben dat een regel bestaat omdat een volwassene dat nu eenmaal zo wil, als de puber maar gerespecteerd wordt in het feit dat hij of zij daar niet mee eens is. Een puber kan de trots hebben een regel te volgen die hij of zijzelf niet juist vindt, omdat het zich houden aan regels een waarde is die puber hoog acht. Dat wil niet zeggen dat die puber dit laat weten. Het is goed mogelijk dat hij of zij heftig protesteert tegen de onzinnigheid van die regel en die toch gaat naleven. Het is belangrijk dat de volwassen na een opvoedkundig conflict gaat observeren wat de puber doet. Heel vaak houdt deze zich dagen erna aan de regel en merkt de volwassene dit niet, omdat die nog vol is van het conflict. Het is vaak wat men ziet gebeuren bij pogingen tot gedragsveranderingen. We willen gedragsveranderingen maar we hanteren de regels van gedragsveranderingen niet adequaat.

Volwassenen proberen vaak door middel van straf gedrag om te buigen. Straf is vrij effectief om gedrag tijdelijk te stoppen, maar er wordt geen nieuw gedrag door aangeleerd en geen ongewenst gedrag door afgeleerd. Het is slechts een eerste stap op weg naar gedragsverandering.

Men kan gedragsverandering veroorzaken door drie regels toe te passen:

  1. Door middel van corrigerend optreden of straffen kan men gedrag stoppen en wordt de kans op gedrag kleinen als de pakkans groot is.

  2. Nieuw gedrag kan aangeleerd worden door het te bekrachtigen. Bekrachtigen kan door middel van een beloning, zowel materieel als immaterieel. Om gedrag te leren, het op te laten nemen in het gedragsrepertoire, moet het in de eerste instantie iedere keer bekrachtigd worden. Is het geleerd dan kan het versterkt worden door het gedrag variavel te bekrachtigen: soms wel, soms niet.

  3. Het afleren van gedrag kan alleen door het uit te laten doven, vooral door te negeren.

Het proberen om ongewenst gedrag te stoppen is verstandig. Er zijn echter verschillende vormen van corrigeren en straffen waarbij de ene schadelijk is en de andere niet. De ene correctie breekt het kind af terwijl; de andere het kind juist veiligheid biedt. Een correctie of straf waar een breuk in liefde bij optreedt, het kind zelf afgewezen wordt en niet alleen het gedrag van het kind is in principe negatief. Een straf die duidelijkheid geeft over grenzen met betrekking tot het gedrag zonder afwijzing van het kind zelf kan het kind veiligheid bieden. Een verband tussen correctie of de straf en het ongewenste gedrag is belangrijk. Harde disciplinaire maatregelen van volwassene kunnen agressief gedrag in jongeren bevorderen.
Hoe onaangenaam de straf ook is, daarmee wordt nieuw gedrag niet aangeleerd, noch het ongewenste gedrag afgeleerd. Integendeel, straf is in principe een bekrachtiger, ook al is hij niet belonend. De kans dat gedrag weer opnieuw vertoond wordt, is eerder groter dan kleiner. We zien dat vaak gebeuren in de vorm van escalatie van gedrag. Nieuw gedrag leer je iemand door het alternatieve gewenste gedrag te bekrachtigen, bijvoorbeeld door een beloning.
Het betekent dat het gedrag niet geleerd kan worden als de aanleg dit niet mogelijk maakt, want het kan niet bekrachtigd worden als het niet vertoond wordt (het versterken van het zelfbeeld). In feite zou het gedrag iedere keer dat het vertoond wordt, bekrachtigd moeten worden. Een variabel bekrachtigingschema (soms wel, soms niet) werkt zeer versterkend en zelfs verslavend naar gedrag. We zien dit effect ontstaan bij gokken of bij de zo verslavende computerspelletjes. Wanneer dit om ongewenst gedrag gaat, wordt dit gedrag daarmee juist versterkt. Aandacht is een krachtiger beloner. Dit is de reden dat ook negatieve aandacht gedrag versterkt. Geen kind vraagt om negatieve aandacht, het wil slechts positieve aandacht hebben, maar weet soms niet meer hoe dat te krijgen.

De negatieve aandacht blijft aandacht en versterkt zo het ongewenste gedrag. Straf is op zich een bekrachtiger en men loopt daardoor het risico het gedrag door middel van straf niet alleen te stoppen voor het moment maar ook te versterken naar de toekomst (denken aan de drie regels gedragsverandering).
Proberen ongewenst gedrag te stoppen is verstandig. Er zijn verschillende vormen van corrigeren en straffen waarbij de ene schadelijk is en de andere niet. De ene correctie breekt het kind af terwijl de andere het kind juist veiligheid biedt. Een correctie of straf waar een breuk in liefde bij optreedt, het kind zelf afgewezen wordt en niet alleen het gedrag van het kind, is in principe negatief. Een straf die duidelijkheid geeft over de grenzen m.b.t. het gedrag zonder afwijzing van het kind zelf, kan het kind veiligheid bieden. Harde maatregelen kunnen agressief gedrag in het kind bevorderen. Hoe onaangenaam de straf ook is, daarmee wordt nieuw gedrag niet aangeleerd, noch het ongewenste gedrag afgeleerd. De straf is in principe een bekrachtiger; ook al is hij niet belonend. De kans dat het gedrag weer opnieuw vertoond wordt, is eerder groter dan kleiner.
Nieuw gedrag leer je door het alternatieve gewenste gedrag te bekrachtigen, bijvoorbeeld door een beloning. Dat betekent dat niet geleerd wordt door de opdracht tot het gedrag geven, een instructie te geven of een voorbeeld te geven. Dit kan alleen aanzet tot het gedrag geven. Het betekent ook dat het gedrag niet geleerd kan worden als de aanleg dit niet mogelijk maakt, want het kan niet bekrachtigd worden als de aanleg dit niet mogelijk maakt, want het kan niet bekrachtigd worden als het niet vertoond wordt.
In feite zou het gedrag iedere keer dat het vertoond wordt, bekrachtigd moeten worden.
Aandacht is een krachtiger beloner. Dit is de reden dat ook negatieve aandacht gedrag versterkt. Geen kind vraagt om negatieve aandacht, het wil slechts positieve aandacht hebben, maar weet soms niet meer hoe dat te krijgen. De negatieve aandacht blijft aandacht en versterkt zo het ongewenste gedrag. Straf op zich is een bekrachtiger en men loopt daardoor het risico het gedrag door middel van straf niet alleen te stoppen voor het moment, maar ook te versterken naar de toekomst toe.

Gedrag wordt afgeleerd door extinctie, het uitdoven van gedrag, vooral door het negeren. Niet alleen beloning, maar ook afkeuring van gedrag werkt als bekrachtiger. Wanneer je een gedragsverandering wil bewerkstelligen, is het belangrijk dat je realiseert dat dit alleen mogelijk is door de drie regels voor gedragsverandering te hanteren. Gedragsverandering kan altijd en alleen maar met deze drie regels bewerkstelligd worden. Het stoppen van ongewenst gedrag is slechts de start van gedragsverandering. Het toepassen van de drie regels samen kan voor een werkelijke gedragsverandering zorgen. Maar dan ook alleen wanneer de drie stappen worden toegepast in de goede volgorde: eerst stoppen van gedrag, dan alternatieve gedrag bekrachtigen en vervolgens het ongewenste gedrag negeren. Het is belangrijk om na 1 regel (stoppen/ straffen) op te letten of het gewenste gedrag vertoond wordt, zodat het bekrachtigd kan worden.

Puberteitsproblemen zijn vaak minder ernstig en komen vaak minder voor dan in veel gevallen wordt gedacht. Het is belangrijk om te leren problemen met pubers te relativeren. Het is belangrijk om conflicten en meningsverschillen te hebben, het schept elkaars denken, maar de inhoudelijke betekenis ervan op de lange duur is vaak verwaarloosbaar. Het meningsverschil zelf is vaak belangrijker dan de inhoud ervan.
Echt probleemgedrag ontstaat alleen daar waar extra factoren een rol spelen. De belangrijkste oorzaken voor ernstig probleemgedrag tijdens de puberteit zijn: een aanleg die al voor de puberteit voor ernstig probleem zorgde, traumatische ervaringen, scheidingen van ouders, een problematisch gezin en vooral een gebrek aan sociale contacten met leeftijdsgenoten. Alleen de aanlegproblemen in combinatie met ernstige omgevingsfactoren zorgen voor een blijvende problematiek. Als er voor de puberteit, dat wil zeggen voor de lichamelijke groei, geen opvallende ernstige problemen waren, dan zijn deze tijdens de puberteit ook niet te verwachten.

Communiceren is belangrijk bij problemen! Het is erg belangrijk en vergt echt contact, vooral wanneer het gaat om problemen waarin jongeren zich bevinden.

Aandachtspunten:

  • Tijdens de puberteit komen de zwakke plekken in ontwikkeling van de jaren ervoor naar boven.
     

  • Aandachtspunten tijdens de puberteit zijn; het belang meningen uit te wisselen en gehoord te worden, aansluiting bij leeftijdsgenoten; risicogroepen, drugs en alcohol, depressie, zelfdoding.
     

  • Piek van criminaliteit ligt rond de 16, 17 jaar.
     

  • Jongeren die voor de puberteit geen crimineel gedrag vertoonden zullen dat waarschijnlijk na de puberteit ook niet vertonen
     

  • Geen enkele opvoeding beschermt tegen conflicten tijdens de puberteit.
     

  • De generatiekloof is niet zo groot als men vaak denkt.
     

  • Afspraken moeten wederzijds zijn en niet eenzijdig opgelegd.
     

  • Gedragveranderingen kunnen slechts via de drie regels: stoppen, belonen, negeren.
     

  • Pubers protesteren tegen regels, maar dat betekent niet dat ze deze niet op zullen volgen.
     

  • De meeste problemen tijdens de puberteit gaan alleen om het conflict en niet om de inhoud en betekent later niets mee
     

  • De jongere lijkt rond 14 jaar zijn verstand te verliezen en psychisch te vertrekken, maar komt na de puberteit gerijpt en krachtig terug.
     

  • Het risico van kindermishandeling is hoog tijdens de puberteit.
     

  • Jongeren hebben last van de scheiding van hun ouders.
     

  • De schoolloopbaan vertoont breuken als gevolg van de scheiding van de ouders.
     

  • Kinderen hebben een aantal taken te vervullen bij echtscheiding, hun recht op bestaan terug te vinden.
     

  • Stiefouderschap is risicovol voor alle betrokkenen.
     

  • Tijdens de puberteit krijgen oude trauma’s hernieuwde kans verwerkt te worden.
     

  • Tijdens de puberteit wordt gezocht naar eigen ouders als deze niet bekend zijn bij de jongere.
     

  • Vooral meisjes ondergaan vaak gedwongen seks tijdens de puberteit.
     

  • Het overlijden van een gezinslid laat diepe sporen na.
     

  • Misbruik van zowel alcohol als van drugs is een belangrijk risico tijdens de puberteit. Voorbeeldgedrag van ouders en leeftijdsgenoten speelt hierbij een rol.
     

  • Veel jeugdigen groeien op bij verslaafde psychisch zieke ouders.
     

  • Jongeren met ADHD hebben een groot risico verslaafd te raken tijdens hun puberteit.
     

  • Voorlichting over drugs- en alcohol gebruik is noodzakelijk.
     

  • Slecht schoolresultaat vormt een risico op alcohol- en drugsgebruik.
     

  • Depressie zorgt ervoor dat contact maken met leeftijdsgenoten, door ingrijpende gebeurtenissen, door slechte schoolresultaten, door gezinsfactoren, aanlegfactoren en door drugsgebruik, moeizaam verloopt.
     

  • Depressie is niet hetzelfde als verdrietig of somber zijn.
     

  • Het zelfdodingrisico onder jongeren is aanwezig door hun confrontatie met henzelf.
     

  • Niemand wil dood, men wil alleen dat het stopt.
     

  • Zelfdoding ligt vaak in het verlengde van depressie.
     

  • Tot 10 jaar zijn evenveel meisjes als jongens depressief, daarna tot 54 jaar meer vrouwen dan mannen en na 54 jaar meer mannen dan vrouwen.
     

  • Voor zelfdoding zijn een aantal waarschuwingssignalen te noemen, het belangrijkste zijn verlies van belangstelling en concrete ideeën over zelfdoding.

<< terug naar startpagina

Ortho Pedagogisch Didactisch Centrum  Zuidoost Drenthe  2010   |   Disclaimer