|
De opvoeding in de puberteit speelt een
belangrijke rol, het moet aansluiten bij de puberteit, overleg en
gelijkwaardigheid is waar een puber naar streeft. In de wijze van
communiceren tussen volwassene en kind bestaan verschillen. Jongens
zijn veel actiever in het onderhandelen met volwassenen en bieden
veel vaker dan meisjes bondgenootschappen aan. Maar welke
opvoedingsstijl gehanteerd wordt, conflicten kunnen niet worden
vermeden. Jongeren en volwassenen kunnen ernstig in conflict komen,
er kan een generatiekloof ontstaan. De meningsverschillen tussen
volwassenen en jongeren gaan over niet- basale zaken; jongeren
houden vaak dezelfde waarden aan als volwassenen, voornamelijk hun
ouders. Slechts in een minderheid van de gezinnen zijn conflicten
ernstig. Niemand mag als het ware kritiek hebben op de ouders,
alleen de puber zelf. Volwassenen proberen puberteitsproblemen het
hoofd te bieden door afspraken te maken. Wat veel volwassenen vaak
niet in de gaten hebben is dat het geen afspraken zijn, maar
eenzijdig opgelegde eisen die verpakt zijn in een democratisch
jasje. Vragen of er iemand het er mee eens is, maakt een regel nog
niet tot een wederzijdse afspraak. Op dergelijke vragen dreigen
jongeren ja te antwoorden om snel van het gezeur af te zijn. Ze
moeten betrokken worden in de afspraak en de afspraak moet
wederzijdse wensen omvatten om de jongere te motiveren en het tot
enkele echte afspraken te maken. In feite gaat het om het opleggen
van een regel. Het gebrek aan wederzijdsheid die de jongere ervaart
terwijl gesuggereerd wordt dat het niet zo is, lost hij vaak op door
toch uiteindelijk zelf te doen wat hij zelf wil. Als volwassenen een
afspraak willen maken, moet dit een wederzijdse afspraak zijn, waar
beide partijen helemaal achter staan en niet een vermomde regel die
opgelegd wordt. Bij een wederzijdse afspraak is het ook verstandig
om beide partijen zich in te laten zetten, niet alleen de jongere,
maar ook de volwassene. Dit wordt mogelijk door beide partijen iets
te laten doen wat een inspanning naar de ander kost. Tijdens de
puberteit is het een zoeken naar balans van afspraken maken en
regels hanteren. Het maken van wederzijdse afspraken is het te
verkiezen boven uitsluitend regels gedurende puberteit, maar vergt
meer inzet van volwassene en jongere om tot ween wederzijdse
afspraak te komen. Toch moeten de volwassene de teugels kunnen laten
vieren. De puber wil zelf verantwoordelijkheid dragen voor een
situatie en eigen beslissingen nemen.
Een onderwerp dat voor veel conflicten zorgt tussen volwassenen en
jongeren is het maken van huiswerk. Jongeren hebben steun (samen
doen, helpen), stimulans en grenzen nodig om deze taak te
volbrengen. Stimuleer de jongere om systeem te ontwikkelen en ook
klasgenoten te vragen naar hun systemen. Maar heb ook begrip voor
het nooit eindigende verhaal van een verplichting te hebben die je
als een hete adem in je nek voelt.
Het opleggen van een regel is op zich een uitstekende opvoedkundige
activiteit; het biedt duidelijkheid en veiligheid. De regel moet dan
wel realistisch zijn en opvoedend naar de jongere toe en niet
straffend en het moet vooral duidelijk zijn dat het een regel is en
niet vermomd als afspraak gepresenteerd worden. Het is ook
belangrijk dat in de regel de thuissituatie betrokken is, omdat de
jongere vaak de gevolgen van haar of haar gedrag over het hoofd
ziet, kan gevolgen hebben voor de thuissituatie. Bij het opleggen
van een regel is het gebruikelijk dat de jongere protesteert, maar
het protest betekent niet dat de jongere de regel niet zal
respecteren.
Voor volwassene is het vaak schrikken als de jongere protesteert. De
volwassene verwacht dat de regel niet gehanteerd zal worden, maar
observatie leert dat de jongere de regel meestal toch wel volgt.
Rustig aan de regel vasthouden maar openstaan voor eventuele
realistische argumenten op grond waarvan een redelijk geachte regel
onredelijk blijkt te zijn, helpt volwassen en jongere door de
puberteit heen!
Pubers zijn het aan hun eergevoel verplicht om een regel alleen te
hanteren als ze er de reden voor kennen en liefst de reden kunnen
accepteren. Dat laatste is beslist niet altijd nodig. Een puber kan
er vrede mee hebben dat een regel bestaat omdat een volwassene dat
nu eenmaal zo wil, als de puber maar gerespecteerd wordt in het feit
dat hij of zij daar niet mee eens is. Een puber kan de trots hebben
een regel te volgen die hij of zijzelf niet juist vindt, omdat het
zich houden aan regels een waarde is die puber hoog acht. Dat wil
niet zeggen dat die puber dit laat weten. Het is goed mogelijk dat
hij of zij heftig protesteert tegen de onzinnigheid van die regel en
die toch gaat naleven. Het is belangrijk dat de volwassen na een
opvoedkundig conflict gaat observeren wat de puber doet. Heel vaak
houdt deze zich dagen erna aan de regel en merkt de volwassene dit
niet, omdat die nog vol is van het conflict. Het is vaak wat men
ziet gebeuren bij pogingen tot gedragsveranderingen. We willen
gedragsveranderingen maar we hanteren de regels van
gedragsveranderingen niet adequaat.
Volwassenen proberen vaak door middel van straf gedrag om te buigen.
Straf is vrij effectief om gedrag tijdelijk te stoppen, maar er
wordt geen nieuw gedrag door aangeleerd en geen ongewenst gedrag
door afgeleerd. Het is slechts een eerste stap op weg naar
gedragsverandering.
Men kan
gedragsverandering veroorzaken door drie regels toe te passen:
-
Door middel van corrigerend optreden
of straffen kan men gedrag stoppen en wordt de kans op gedrag
kleinen als de pakkans groot is.
-
Nieuw gedrag kan aangeleerd worden
door het te bekrachtigen. Bekrachtigen kan door middel van een
beloning, zowel materieel als immaterieel. Om gedrag te leren,
het op te laten nemen in het gedragsrepertoire, moet het in de
eerste instantie iedere keer bekrachtigd worden. Is het geleerd
dan kan het versterkt worden door het gedrag variavel te
bekrachtigen: soms wel, soms niet.
-
Het afleren van gedrag kan alleen
door het uit te laten doven, vooral door te negeren.
Het proberen om
ongewenst gedrag te stoppen is verstandig. Er zijn echter
verschillende vormen van corrigeren en straffen waarbij de ene
schadelijk is en de andere niet. De ene correctie breekt het kind af
terwijl; de andere het kind juist veiligheid biedt. Een correctie of
straf waar een breuk in liefde bij optreedt, het kind zelf afgewezen
wordt en niet alleen het gedrag van het kind is in principe
negatief. Een straf die duidelijkheid geeft over grenzen met
betrekking tot het gedrag zonder afwijzing van het kind zelf kan het
kind veiligheid bieden. Een verband tussen correctie of de straf en
het ongewenste gedrag is belangrijk. Harde disciplinaire maatregelen
van volwassene kunnen agressief gedrag in jongeren bevorderen.
Hoe onaangenaam de straf ook is, daarmee wordt nieuw gedrag niet
aangeleerd, noch het ongewenste gedrag afgeleerd. Integendeel, straf
is in principe een bekrachtiger, ook al is hij niet belonend. De
kans dat gedrag weer opnieuw vertoond wordt, is eerder groter dan
kleiner. We zien dat vaak gebeuren in de vorm van escalatie van
gedrag. Nieuw gedrag leer je iemand door het alternatieve gewenste
gedrag te bekrachtigen, bijvoorbeeld door een beloning.
Het betekent dat het gedrag niet geleerd kan worden als de aanleg
dit niet mogelijk maakt, want het kan niet bekrachtigd worden als
het niet vertoond wordt (het versterken van het zelfbeeld). In feite
zou het gedrag iedere keer dat het vertoond wordt, bekrachtigd
moeten worden. Een variabel bekrachtigingschema (soms wel, soms
niet) werkt zeer versterkend en zelfs verslavend naar gedrag. We
zien dit effect ontstaan bij gokken of bij de zo verslavende
computerspelletjes. Wanneer dit om ongewenst gedrag gaat, wordt dit
gedrag daarmee juist versterkt. Aandacht is een krachtiger beloner.
Dit is de reden dat ook negatieve aandacht gedrag versterkt. Geen
kind vraagt om negatieve aandacht, het wil slechts positieve
aandacht hebben, maar weet soms niet meer hoe dat te krijgen.
De negatieve aandacht blijft aandacht en versterkt zo het ongewenste
gedrag. Straf is op zich een bekrachtiger en men loopt daardoor het
risico het gedrag door middel van straf niet alleen te stoppen voor
het moment maar ook te versterken naar de toekomst (denken aan de
drie regels gedragsverandering).
Proberen ongewenst gedrag te stoppen is verstandig. Er zijn
verschillende vormen van corrigeren en straffen waarbij de ene
schadelijk is en de andere niet. De ene correctie breekt het kind af
terwijl de andere het kind juist veiligheid biedt. Een correctie of
straf waar een breuk in liefde bij optreedt, het kind zelf afgewezen
wordt en niet alleen het gedrag van het kind, is in principe
negatief. Een straf die duidelijkheid geeft over de grenzen m.b.t.
het gedrag zonder afwijzing van het kind zelf, kan het kind
veiligheid bieden. Harde maatregelen kunnen agressief gedrag in het
kind bevorderen. Hoe onaangenaam de straf ook is, daarmee wordt
nieuw gedrag niet aangeleerd, noch het ongewenste gedrag afgeleerd.
De straf is in principe een bekrachtiger; ook al is hij niet
belonend. De kans dat het gedrag weer opnieuw vertoond wordt, is
eerder groter dan kleiner.
Nieuw gedrag leer je door het alternatieve gewenste gedrag te
bekrachtigen, bijvoorbeeld door een beloning. Dat betekent dat niet
geleerd wordt door de opdracht tot het gedrag geven, een instructie
te geven of een voorbeeld te geven. Dit kan alleen aanzet tot het
gedrag geven. Het betekent ook dat het gedrag niet geleerd kan
worden als de aanleg dit niet mogelijk maakt, want het kan niet
bekrachtigd worden als de aanleg dit niet mogelijk maakt, want het
kan niet bekrachtigd worden als het niet vertoond wordt.
In feite zou het gedrag iedere keer dat het vertoond wordt,
bekrachtigd moeten worden.
Aandacht is een krachtiger beloner. Dit is de reden dat ook
negatieve aandacht gedrag versterkt. Geen kind vraagt om negatieve
aandacht, het wil slechts positieve aandacht hebben, maar weet soms
niet meer hoe dat te krijgen. De negatieve aandacht blijft aandacht
en versterkt zo het ongewenste gedrag. Straf op zich is een
bekrachtiger en men loopt daardoor het risico het gedrag door middel
van straf niet alleen te stoppen voor het moment, maar ook te
versterken naar de toekomst toe.
Gedrag wordt afgeleerd door extinctie, het uitdoven van gedrag,
vooral door het negeren. Niet alleen beloning, maar ook afkeuring
van gedrag werkt als bekrachtiger. Wanneer je een gedragsverandering
wil bewerkstelligen, is het belangrijk dat je realiseert dat dit
alleen mogelijk is door de drie regels voor gedragsverandering te
hanteren. Gedragsverandering kan altijd en alleen maar met deze drie
regels bewerkstelligd worden. Het stoppen van ongewenst gedrag is
slechts de start van gedragsverandering. Het toepassen van de drie
regels samen kan voor een werkelijke gedragsverandering zorgen. Maar
dan ook alleen wanneer de drie stappen worden toegepast in de goede
volgorde: eerst stoppen van gedrag, dan alternatieve gedrag
bekrachtigen en vervolgens het ongewenste gedrag negeren. Het is
belangrijk om na 1 regel (stoppen/ straffen) op te letten of het
gewenste gedrag vertoond wordt, zodat het bekrachtigd kan worden.
Puberteitsproblemen zijn vaak minder ernstig en komen vaak minder
voor dan in veel gevallen wordt gedacht. Het is belangrijk om te
leren problemen met pubers te relativeren. Het is belangrijk om
conflicten en meningsverschillen te hebben, het schept elkaars
denken, maar de inhoudelijke betekenis ervan op de lange duur is
vaak verwaarloosbaar. Het meningsverschil zelf is vaak belangrijker
dan de inhoud ervan.
Echt probleemgedrag ontstaat alleen daar waar extra factoren een rol
spelen. De belangrijkste oorzaken voor ernstig probleemgedrag
tijdens de puberteit zijn: een aanleg die al voor de puberteit voor
ernstig probleem zorgde, traumatische ervaringen, scheidingen van
ouders, een problematisch gezin en vooral een gebrek aan sociale
contacten met leeftijdsgenoten. Alleen de aanlegproblemen in
combinatie met ernstige omgevingsfactoren zorgen voor een blijvende
problematiek. Als er voor de puberteit, dat wil zeggen voor de
lichamelijke groei, geen opvallende ernstige problemen waren, dan
zijn deze tijdens de puberteit ook niet te verwachten.
Communiceren is belangrijk bij problemen! Het is erg belangrijk en
vergt echt contact, vooral wanneer het gaat om problemen waarin
jongeren zich bevinden.
Aandachtspunten:
-
Tijdens de puberteit komen de zwakke
plekken in ontwikkeling van de jaren ervoor naar boven.
-
Aandachtspunten tijdens de puberteit
zijn; het belang meningen uit te wisselen en gehoord te worden,
aansluiting bij leeftijdsgenoten; risicogroepen, drugs en
alcohol, depressie, zelfdoding.
-
Piek van criminaliteit ligt rond de
16, 17 jaar.
-
Jongeren die voor de puberteit geen
crimineel gedrag vertoonden zullen dat waarschijnlijk na de
puberteit ook niet vertonen
-
Geen enkele opvoeding beschermt
tegen conflicten tijdens de puberteit.
-
De generatiekloof is niet zo groot
als men vaak denkt.
-
Afspraken moeten wederzijds zijn en
niet eenzijdig opgelegd.
-
Gedragveranderingen kunnen slechts
via de drie regels: stoppen, belonen, negeren.
-
Pubers protesteren tegen regels,
maar dat betekent niet dat ze deze niet op zullen volgen.
-
De meeste problemen tijdens de
puberteit gaan alleen om het conflict en niet om de inhoud en
betekent later niets mee
-
De jongere lijkt rond 14 jaar zijn
verstand te verliezen en psychisch te vertrekken, maar komt na
de puberteit gerijpt en krachtig terug.
-
Het risico van kindermishandeling is
hoog tijdens de puberteit.
-
Jongeren hebben last van de
scheiding van hun ouders.
-
De schoolloopbaan vertoont breuken
als gevolg van de scheiding van de ouders.
-
Kinderen hebben een aantal taken te
vervullen bij echtscheiding, hun recht op bestaan terug te
vinden.
-
Stiefouderschap is risicovol voor
alle betrokkenen.
-
Tijdens de puberteit krijgen oude
trauma’s hernieuwde kans verwerkt te worden.
-
Tijdens de puberteit wordt gezocht
naar eigen ouders als deze niet bekend zijn bij de jongere.
-
Vooral meisjes ondergaan vaak
gedwongen seks tijdens de puberteit.
-
Het overlijden van een gezinslid
laat diepe sporen na.
-
Misbruik van zowel alcohol als van
drugs is een belangrijk risico tijdens de puberteit.
Voorbeeldgedrag van ouders en leeftijdsgenoten speelt hierbij
een rol.
-
Veel jeugdigen groeien op bij
verslaafde psychisch zieke ouders.
-
Jongeren met ADHD hebben een groot
risico verslaafd te raken tijdens hun puberteit.
-
Voorlichting over drugs- en alcohol
gebruik is noodzakelijk.
-
Slecht schoolresultaat vormt een
risico op alcohol- en drugsgebruik.
-
Depressie zorgt ervoor dat contact
maken met leeftijdsgenoten, door ingrijpende gebeurtenissen,
door slechte schoolresultaten, door gezinsfactoren,
aanlegfactoren en door drugsgebruik, moeizaam verloopt.
-
Depressie is niet hetzelfde als
verdrietig of somber zijn.
-
Het zelfdodingrisico onder jongeren
is aanwezig door hun confrontatie met henzelf.
-
Niemand wil dood, men wil alleen dat
het stopt.
-
Zelfdoding ligt vaak in het
verlengde van depressie.
-
Tot 10 jaar zijn evenveel meisjes
als jongens depressief, daarna tot 54 jaar meer vrouwen dan
mannen en na 54 jaar meer mannen dan vrouwen.
-
Voor zelfdoding zijn een aantal
waarschuwingssignalen te noemen, het belangrijkste zijn verlies
van belangstelling en concrete ideeën over zelfdoding.
|